Rechtspraak
werknemer/werkgever
Per 1 januari 2014 heeft werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst met werkgever gesloten. Werknemer is hierdoor tevens als bestuurder van werkgever benoemd. Bij besluit van 18 december 2015 heeft de RvT werknemer met onmiddellijke ingang ontslagen als bestuurder en is met inachtneming van de opzegtermijn het dienstverband opgezegd. Werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen zijn ontslag. Partijen hebben overleg gevoerd over een financiële vertrekregeling voor werknemer. Thans verzoeken werkgever en werknemer de kantonrechter uitspraak te doen met betrekking tot vijf geschilpunten, middels een procedure ex artikel 96 Rv.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer als topfunctionaris kwalificeert op grond van artikel 1 lid 1 onderdeel b onder 4 WNT en dus onder het toepassingsbereik van de WNT valt. Evenmin is tussen partijen in geschil dat werknemer uit hoofde van artikel 7:673 jo. 7:673a BW recht heeft op een transitievergoeding. De vragen die tussen partijen zijn gerezen, vloeien deels voort uit de werking van de WNT, naast die van de WWZ. In dat verband wordt vooraf nog het volgende overwogen. Ten tijde van de parlementaire behandeling van de WNT bestond de WWZ nog niet en was er geen met de transitievergoeding vergelijkbaar wettelijk recht. Bij de behandeling van de WWZ is met geen woord gerept over de WNT. De kantonrechter dient derhalve de vragen te beantwoorden vanuit het doel van zowel de WNT, als de WWZ.
Vraag 1: Mag de vergoeding tussen partijen overeengekomen in het kader van het einde van de arbeidsovereenkomst cumuleren met de transitievergoeding?
De vraag is of náást de hem toekomende (wettelijke) transitievergoeding, werknemer en werkgever gelet op de werking van de WNT nog de mogelijkheid hebben een additionele vergoeding overeen te komen, die dus met de transitievergoeding cumuleert. Ten eerste wordt opgemerkt dat de letterlijke tekst van de bepalingen uit de WNT lijkt te ondersteunen dat naast de transitievergoeding een vergoeding door de WNT overeengekomen kan worden. Daarbij moet echter in het oog worden gehouden dat de wetteksten van de WNT en die van de destijds nog niet voorziene WWZ geen rekening met elkaar houden en dus niet op elkaar aansluiten. Het is daarbij ontegenzeggelijk de bedoeling van de WNT geweest dat tussen partijen overeen te komen vergoedingen bij de beëindiging van het dienstverband in de sectoren bestreken door de WNT, aan banden zouden worden gelegd. Het is daarmee niet te verenigen dat naast de transitievergoeding partijen nog een beëindigingsvergoeding tot het maximum van € 75.000 zouden mogen afspreken en dat deze twee uitkeringen zouden mogen cumuleren, zo dat zij allebei, transitievergoeding én beëindigingsvergoeding, bij de beëindiging van het dienstverband aan de functionaris zouden mogen worden uitgekeerd. De bedoeling van de WNT zou daarmee voor een groot deel teniet worden gedaan. Het vorenstaande brengt de kantonrechter tot het oordeel dat het partijen niet vrijstaat naast de transitievergoeding nog een additionele vergoeding bij beëindiging van het dienstverband overeen te komen, althans niet voor zover deze tezamen boven het wettelijk maximum als gegeven in de WNT, zouden uitkomen.
Vraag 1a: Levert het niet gebruik maken van de in het Besluit overgangsrecht transitievergoeding geboden (keuze)mogelijkheid strijd op met c.q. misbruik van de WNT op?
Hoewel ook op dit gebied de parlementaire geschiedenis van de WNT of de WWZ geen opheldering biedt, wordt geoordeeld dat werknemer eerst recht heeft op zijn transitievergoeding indien hij conform artikel 3 van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding kiest voor de transitievergoeding en daarmee afstand doet van de vergoeding, waarop hij uit hoofde van de afspraken met werkgever, recht heeft.
Rechtsvraag 2: Valt de periode waarin werknemer door de RvT van werkgever eenzijdig is geschorst, vooruitlopend op het ontslagbesluit en gedurende de opzegtermijn tot het einde van het dienstverband, onder de werking van artikel 2.10 lid 3 WNT?
Volgens het bepaalde in artikel 2.10 lid 3 WNT wordt de bezoldiging over de periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband. De wettekst maakt daarbij geen uitzondering voor een situatie als die van werknemer. Het loon over de opzegtermijn van werknemer valt derhalve onder de werking van artikel 2.10 lid 3 WNT. Dat betekent echter niet dat het loon van werknemer in deze periode in mindering gebracht mag worden op zijn transitievergoeding.
Vraag 3: Is de vergoeding van de (reële) kosten van rechtsbijstand voor werknemer toelaatbaar volgens de WNT en/of moet dit worden gekwalificeerd als ‘een uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband’?
Rechtsvraag 4: Valt de vergoeding van de kosten voor outplacement tot een maximum van € 8.000 onder de limitering van de WNT en dus onder de definitie van ‘uitkering wegens beëindiging van het dienstverband’?
Rechtsvraag 5: Valt de vergoeding van de financiële en pensioenadvieskosten van werknemer tot een maximum van € 2.000 door werkgever onder de werking van de WNT, gelet op de definitie ‘uitkering wegens beëindiging van het dienstverband’?
Deze drie vragen hebben in de kern hetzelfde geschil als onderwerp en zullen dus door de kantonrechter tegelijkertijd worden beoordeeld. Ze komen er in de kern op neer of vergoedingen als die van de kosten van rechtsbijstand van de topfunctionaris of van outplacement of financieel en pensioenadvies, uit hoofde van de WNT toelaatbaar zijn naast de andere vergoeding(en) onder de WNT en/of de WWZ; met andere woorden of vergoeding van deze kosten vallen onder de definitie uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, als bedoeld in artikel 2.10 lid 1 WNT. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat dit soort uitkeringen, voldaan rond de beëindiging van het dienstverband, niet anders behandeld worden dan dezelfde uitkeringen voldaan tijdens het dienstverband. Met andere woorden als deze uitkeringen tijdens het dienstverband naast de maximale bezoldiging toegelaten beloningscomponenten zijn, dan is dat rond beëindiging van het dienstverband niet anders. Het vorenstaande impliceert dat de bedoelde uitkeringen niet kunnen worden aangemerkt als een uitkering wegens de beëindiging van het dienstverband, indien deze tijdens het dienstverband mogen cumuleren met de maximale bezoldiging onder de WNT.