Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Prorail BV
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 juni 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:3260

werknemer/Prorail BV

Ontslag op staande voet vernietigd. Nu werkgever tot april 2014 heeft gewacht met het bijeenroepen van de stuurgroep, het opstellen van een memorandum en het verlenen van ontslag, ontbreekt de vereiste subjectieve dringendheid van het ontslag.

Werknemer is in dienst bij Prorail BV (hierna: Prorail). Werknemer is door Prorail op staande voet ontslagen. In een tussenvonnis is reeds op een aantal geschilpunten beslist. Ter beoordeling ligt thans nog voor of het door Prorail op 24 april 2014 gegeven ontslag op staande voet geldig is en of werknemer recht heeft op een bedrag aan opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen en schadevergoeding. Daarnaast dient nog te worden beslist op de reconventionele vordering van Prorail betreffende te veel betaald loon en schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Prorail heeft, hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, onvoldoende gesteld om aannemelijk te achten dat zij steeds voortvarend heeft gehandeld. Prorail heeft niet gemotiveerd betwist dat zij kort na de door X met werknemer gevoerde gesprekken op 20 december 2013 en 5 februari 2014 reeds beschikte over de verslagen van deze gesprekken. Door Prorail is ter comparitie onvoldoende toegelicht waarom vervolgens nog twee maanden is gewacht op de ontvangst van het volledige rapport van X. Nu het ontslag op staande voet enkel is gestoeld op de verwijten die in de gesprekken tussen X en werknemer aan de orde zijn geweest, is bovendien onduidelijk waarom Prorail niet direct na het laatste gesprek op 5 februari 2014 de interne stuurgroep bij elkaar heeft geroepen. Nu Prorail tot april 2014 heeft gewacht met het bijeenroepen van de stuurgroep, het opstellen van een memorandum en het verlenen van ontslag, is de kantonrechter van oordeel dat de vereiste subjectieve dringendheid van het ontslag ontbreekt. Dit betekent dat het ontslag op staande voet van 24 april 2014 geen stand houdt en de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging door werknemer eerst op 1 mei 2014 is geëindigd. Ten aanzien van de vordering van werknemer ter zake van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, dan wel toerekenbaar tekortschieten door Prorail in de nakoming van een tussen partijen gemaakte afspraak betreffende beperkte communicatie over het vertrek van werknemer, is het volgende van belang. Niet in geschil is dat partijen zijn overeengekomen dat terughoudend zou worden gecommuniceerd over het vertrek van werknemer. Beoordeeld dient te worden of Prorail zich aan deze afspraak heeft gehouden. Prorail is de tussen partijen gemaakte afspraak betreffende beperkte communicatie over het vertrek van werknemer niet nagekomen en bedrijf Z heeft werknemer op basis van de uitlatingen van Prorail ontslagen tijdens proeftijd. Door Prorail is niet gemotiveerd betwist dat werknemer als gevolg van dit ontslag schade heeft geleden, bestaande uit het verschil tussen de ontvangen WW-uitkering en het misgelopen loon gedurende de met bedrijf Z overeengekomen contractperiode van één jaar. Uit de stellingen van Prorail is, gelet op de uitdrukkelijke betwisting door werknemer, niet komen vast te staan dat werknemer in deze periode inkomsten uit arbeid heeft genoten die in mindering dienen te worden gebracht op het door werknemer berekende bedrag aan schade. Nu Prorail geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door werknemer berekende schade is de vordering tot betaling van een bedrag van € 32.995,71 toewijsbaar. Prorail heeft in reconventie een schadevergoeding gevorderd van € 19.800 voor de betaling van de werkzaamheden van bedrijf B met betrekking tot de VL-posten Deventer en Nijmegen. Deze reconventionele vordering wordt afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Volgt toewijzing van de vorderingen van werknemer.