Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 mei 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:3734
werknemer/G4S Holdings 103 (NL) B.V.
Op 6 november 2000 is werknemer bij G4S in dienst getreden in de functie van CFO. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Op 1 oktober 2015 heeft G4S het UWV verzocht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. Op 10 december 2015 heeft het UWV G4S toestemming verleend. Op 6 januari 2016 heeft G4S de arbeidsovereenkomst zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn van twaalf maanden opgezegd. In verband met de onregelmatige opzegging heeft G4S een vergoeding ad € 161.831 betaald. Daarnaast heeft G4S een transitievergoeding ad € 246.864 betaald. Thans verzoekt werknemer herstel van de arbeidsovereenkomst en betaling van de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. Subsidiair verzoekt werknemer een billijke vergoeding en verval van het concurrentiebeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor zover moet worden aangenomen dat de mislukte aanbesteding op Schiphol mede aanleiding is geweest voor de reorganisatie kan dit niet tot een toewijzing van het verzoek leiden nu deze omstandigheid heeft te gelden als een van omstandigheden die G4S binnen haar beleidsvrijheid kan doen besluiten om haar organisatie te reorganiseren. Een voorgewende reden of valse reden vormde onder het oude recht de grondslag voor een kennelijk onredelijk ontslag, welke regeling onder het nieuwe recht niet meer bestaat. Uitgaande van de rechtspraak die onder het oude recht geldt, is een voorgewende reden een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is, en is een valse reden een niet bestaande reden. Deze situatie doet zich niet voor. Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst zal derhalve worden afgewezen. G4S heeft erkend dat zij in het kader van de transitievergoeding nog een bedrag verschuldigd is ad € 1.738,80 bruto. Dienovereenkomstig zal derhalve worden beslist. Volgens werknemer heeft G4S bij de berekening echter geen rekening gehouden met alle componenten van het salaris. Voorop wordt gesteld dat met de invoering van de WWZ de regeling over de schadeplichtigheid na een onregelmatige opzegging in artikel 7:677 (oud) BW is vervangen door de regeling in artikel 7:672 lid 9 BW. Uit de jurisprudentie over artikel 7:677 (oud) BW volgt dat tot het in geld vastgestelde loon de vakantietoeslag behoort. Over de variabele componenten bestaat geen eenduidig standpunt. Een vaste bonus of gratificatie kan wel in aanmerking worden genomen. De wetsgeschiedenis biedt geen aanwijzingen dat onder de WWZ het loonbegrip in de huidige regeling van artikel 7:672 lid 9 BW is verruimd. Met betrekking tot de door werknemer aangevoerde componenten is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende grondslag bestaat om het in aanmerking komende loon daarmee te vermeerderen. Het verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding wordt derhalve afgewezen. Nu de arbeidsovereenkomst niet wordt hersteld wordt toegekomen aan het verzoek het concurrentiebeding geheel te vernietigen. G4S heeft ten aanzien van haar belang bij het concurrentiebeding gesteld dat werknemer als CFO Nederland (mede) verantwoordelijk was voor de financiële positie van G4S in Nederland, en dat hij uit dien hoofde toegang had tot gedetailleerde (financiële) informatie en concurrentiegevoelige gegevens. Evident is echter dat werknemer met name door de duur en de ruime strekking van het beding wordt benadeeld om elders werkzaamheden in Nederland te vinden. Niet behoeft te worden verwacht dat hij zich daarvoor naar het buitenland begeeft. Voorts wordt in aanmerking genomen dat hij sinds 1 oktober 2015 geen toegang meer heeft gehad tot zijn werkplek en derhalve feitelijk ruim zeven maanden niet meer betrokken is geweest bij concurrentiegevoelige informatie. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de leeftijd van werknemer is de kantonrechter van oordeel dat de belangenafweging meebrengt dat het concurrentiebeding gedeeltelijk dient te worden vernietigd door beperking van de duur van het concurrentiebeding tot zes maanden. Voor een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW bestaat derhalve geen aanleiding. De kantonrechter wijst de verzochte billijke vergoeding af.