Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./Constar Plastics B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juni 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:4977

werknemer c.s./Constar Plastics B.V.

Aanzegging ‘tijdelijke arbeidsovereenkomst’ na doorstart uit faillissement is geen opzegging. Geen opvolgend werkgeverschap door aanwezigheid voormalig directielid bij nieuwe werkgever (ontbreken zodanige banden: oud recht).

(Hoger beroep van AR 2016-0054.) Zes werknemers (hierna: werknemers) zijn in dienst geweest van Constar International Holland (Plastic) B.V. (hierna: Constar International). Op 28 mei 2014 is de vennootschap in staat van faillissement verklaard, waarna de curator de arbeidsovereenkomsten met werknemers heeft opgezegd. UTB International B.V. heeft de activa van Constar International overgenomen en een deel van de activiteiten voortgezet in de daarvoor opgerichte nieuwe vennootschap Constar Plastics B.V. (hierna: Constar). Met werknemers heeft Constar arbeidsovereenkomsten gesloten met een duur van drie maanden, die vervolgens tot 10 september 2015 zijn verlengd met een jaar. Na tegenvallende resultaten van Constar heeft UTB International B.V. besloten de activiteiten van Constar te beëindigen. In een brief van 13 augustus 2015 heeft zij aan werknemers bericht dat de arbeidsovereenkomsten op 10 september 2015 van rechtswege eindigen. Werknemers verzoeken de kantonrechter Constar te veroordelen tot betaling aan werknemers van de transitievergoeding, een vergoeding voor onregelmatige opzegging, alsmede een billijke vergoeding, welke bedragen variëren naargelang de lengte van het dienstverband van werknemers. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap en of (als daarvan sprake is) na een doorstart na faillissement aanspraak kan worden gemaakt op de transitievergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. In hoger beroep stelt Constar Plastics zich op het standpunt dat de ‘aanzegging’ van de arbeidsovereenkomst (niet verlengen) geen ‘opzegging’ impliceert.

Het hof oordeelt als volgt. Constar Plastics heeft onbestreden aangevoerd dat haar wil erop was gericht de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen, dat zij daarvan, ingevolge de met ingang van 1 juli 2015 geldende aanzegverplichting, mededeling heeft gedaan aan werknemer en dat zij, indien zij zou hebben geweten dat sprake was van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd (hetgeen zij overigens bestrijdt) nooit tot opzegging zou zijn overgegaan zonder toestemming van het UWV en zonder inachtneming van een opzegtermijn. Gelet op het voorgaande en op de inhoud van de brief van 13 augustus 2015, waarin met zoveel woorden staat dat de brief bedoeld is als aanzegging in de zin van het met ingang van 1 juli 2015 geldende artikel 7:668 lid 1 BW, was de aanzegging van Constar Plastics onmiskenbaar gericht op het verstrekken van informatie aan werknemer(s) over het vervolg van de arbeidsrelatie als bedoeld in die wettelijke bepaling. Het hof onderschrijft dan ook niet het oordeel van de kantonrechter dat deze aanzegging het karakter heeft gekregen van een op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte mededeling. Omdat de aanzegging wel te laat heeft plaatsgevonden, dient Constar Plastics vier dagen ‘vergoeding’ te betalen.

Anders dan werknemers en de kantonrechter is het hof van oordeel dat de rol die B heeft gespeeld bij de selectie van de werknemers met wie vervolgens een contractbespreking heeft plaatsgevonden, onvoldoende is om te oordelen dat sprake is van ‘zodanige banden’ tussen Constar Plastics en Constar International als hiervoor bedoeld. Gesteld noch gebleken is dat Constar Plastics materieel beschouwd dezelfde werkgever is als Constar International. B bekleedde, zoals werknemer heeft betoogd, weliswaar een directiefunctie bij Constar International, maar gesteld noch gebleken is dat sprake is van een verdergaande band tussen B en Constar Plastics dan dat de laatste, na de overname door UTB International van de activa van Constar International, B heeft aangenomen in de functie van operationeel directeur.