Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./Constar Plastics B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 15 januari 2016
ECLI:NL:RBGEL:2016:190

werknemer c.s./Constar Plastics B.V.

Opvolgend werkgeverschap in casu naar oud recht beoordeeld. Het overgangsrecht van artikel XXIIe lid 2 WWZ ziet ook op opvolgend werkgeverschap. Werkgever is na een doorstart na faillissement ook een transitievergoeding verschuldigd, nu artikel 7:673c lid 1 BW er niet toe strekt een ‘knip’ aan te brengen in het opvolgend werkgeverschap van voor en na faillissement bij bepaling van de arbeidsduur die meetelt voor de transitievergoeding.

Zes werknemers (hierna: werknemers) zijn in dienst geweest van Constar International Holland (Plastic) B.V. (hierna: Constar International). Op 28 mei 2014 is de vennootschap in staat van faillissement verklaard, waarna de curator de arbeidsovereenkomsten met werknemers heeft opgezegd. UTB International B.V. heeft de activa van Constar International overgenomen en een deel van de activiteiten voortgezet in de daarvoor opgerichte nieuwe vennootschap Constar Plastics B.V. (hierna: Constar). Met werknemers heeft Constar arbeidsovereenkomsten gesloten met een duur van drie maanden, die vervolgens tot 10 september 2015 zijn verlengd met een jaar. Na tegenvallende resultaten van Constar heeft UTB International B.V. besloten de activiteiten van Constar te beëindigen. In een brief van 13 augustus 2015 heeft zij aan werknemers bericht dat de arbeidsovereenkomsten op 10 september 2015 van rechtswege eindigen. Werknemers verzoeken de kantonrechter Constar te veroordelen tot betaling aan werknemers van de transitievergoeding, een vergoeding voor onregelmatige opzegging, alsmede een billijke vergoeding, welke bedragen variëren naargelang de lengte van het dienstverband van werknemers. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap en of (als daarvan sprake is) na een doorstart na faillissement aanspraak kan worden gemaakt op de transitievergoeding.

De kantonrechter oordeelt met betrekking tot het opvolgend werkgeverschap als volgt. Artikel 7:668a lid 1 onderdeel a BW en artikel 7:668a lid 2 BW zijn veranderd ten opzichte van hetgeen onder oud recht gold, waarbij in dit geval met name van belang is dat onder oud recht de eis werd gesteld dat er ‘zodanige banden’ moesten zijn tussen de oude en de nieuwe werkgever na een doorstart na faillissement (vgl. het Wolters/Van Tuinen-arrest, ECLI:NL:HR:2012:BV9603). Dit ‘zodanige banden’-criterium speelt in het nieuwe recht geen rol meer. De hoofdregel van nieuwe wetgeving is dat deze onmiddellijke werking heeft, tenzij het overgangsrecht hierop een uitzondering maakt. In het overgangsrecht bij de WWZ is een aantal uitzonderingen gemaakt, onder meer met betrekking tot de ketenregeling van artikel 668a BW, te weten in artikel XXIIe lid 2 WWZ. Hoewel voornoemde overgangsbepaling enkel ziet op de totale duur van de keten en op de duur van de onderbrekingen zoals deze zijn opgenomen in artikel 7:668a lid 1 BW ziet de kantonrechter aanleiding om, gelet op het feit dat de wetgever vanwege de rechtszekerheid een overgangsrechtelijke bepaling heeft opgenomen over de ketenregeling, de overgangsbepaling ook toepasselijk te achten op het opvolgend werkgeverschap. De vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap dient dan ook naar oud recht beoordeeld te worden. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat zodanige banden bestonden dat Constar als opvolgend werkgever moet worden gezien, vanwege de rol van een directielid van Constar International bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten tussen werknemers en Constar. Zijn kennis van de geschiktheid van werknemers kan Constar worden toegerekend.

Constar voert aan dat überhaupt niet is opgezegd, omdat de aanzegging geen opzegging is en werknemers geen vorderingen hebben die voortvloeien uit het einde van de arbeidsovereenkomst, omdat deze volgens Constar niet zijn geëindigd. De kantonrechter oordeelt dat in casu sprake is van arbeidsovereenkomsten waarvan Constar dacht dat deze voor bepaalde tijd waren, maar waarvan blijkt dat deze in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd zijn overgegaan. De aanzegging krijgt in dat geval het karakter van een mededeling die is gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als deze ook zo is opgevat door de werknemer (vgl. o.m. ECLI:NL:HR:2015:3305 en ECLI:NL:HR:2005:AS8387). Aan de arbeidsovereenkomsten is na 10 september 2015 feitelijk ook geen invulling meer gegeven, nu de werkzaamheden zijn gestaakt en er ook geen loon meer is betaald. Een en ander brengt met zich dat de arbeidsovereenkomsten door opzegging zijn geëindigd. Met betrekking tot de transitievergoeding bepaalt artikel 7:673c lid 1 BW dat de in staat van faillissement verklaarde werkgever voornoemde vergoeding niet langer verschuldigd is. Deze bepaling strekt er naar het oordeel van de kantonrechter niet toe een ‘knip’ aan te brengen in het opvolgend werkgeverschap van voor en na het faillissement als het gaat om de arbeidsduur die meetelt voor de transitievergoeding. Dat betekent dat de volle arbeidsduur van voor de datum van het faillissement in dit geval meetelt voor de berekening van de transitievergoeding. Door de niet-inachtneming van de opzegtermijnen door Constar is de vergoeding ex artikel 7:672 lid 9 BW verschuldigd. Ook de billijke vergoeding wijst de kantonrechter (op grond van art. 7:681 lid 1 onderdeel a BW) toe, nu werknemers niet hebben ingestemd met de opzegging en Constar geen voorafgaande toestemming aan het UWV heeft gevraagd op grond van artikel 7:671 BW. De door werknemers gevorderde billijke vergoeding van één maandsalaris komt de kantonrechter in dit geval billijk voor. Volgt veroordeling van Constar om aan werknemers de transitievergoeding, een vergoeding voor de onregelmatige opzegging en de billijke vergoeding te voldoen, een en ander zoals gevorderd.