Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 juni 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:2852
X/Novisource Banking & Investment Business Consultancy B.V.
Ingevolge het tussenvonnis van 20 januari 2016 hebben X en Novisource Banking & Investment Business Consultancy B.V. (hierna: Novisource) zich bij akte uitgelaten over de daarin aan de orde gestelde hoedanigheidskwestie.
De rechtbank oordeelt als volgt. De eerste vraag die ter beoordeling voorligt is of de relatie tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Bij het aangaan van de deelovereenkomst per 1 juni 2014 hadden partijen niet de bedoeling een arbeidsovereenkomst aan te gaan maar juist om de arbeidsrelatie om te zetten in een overeenkomst van opdracht. De uitvoering van de overeenkomst is vervolgens met die bedoeling in overeenstemming geweest, in die zin dat X haar eenmanszaak heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat zij beschikte over een VAR-WUO-verklaring en dat zij haar gewerkte uren maandelijks factureerde, vermeerderd met btw. Niet is gesteld of gebleken dat een formele of materiële gezagsrelatie bestond tussen X en Novisource. Ook de maatschappelijke positie van partijen, in het bijzonder die van X, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Tussen partijen bestaat daarom geen arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:610 BW. X heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat artikel 1 aanhef onderdeel b onder 2° BBA op haar van toepassing is. Een en ander kan in het midden blijven, nu vaststaat dat X hoe dan ook niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes maanden na de opzegging, de nietigheid van de opzegging heeft ingeroepen.
Nu is vastgesteld dat de arbeidsrelatie kwalificeerde als een overeenkomst van opdracht, moet worden bezien of de opzegging ook overigens rechtmatig is gedaan. Daarbij is van belang wat tussen partijen te dien aanzien is overeengekomen. Tussen partijen staat vast dat X per 1 juni 2014 is begonnen te werken zonder dat toen een raamovereenkomst gold maar ook zonder dat toen een (schriftelijke) deelovereenkomst gold. De raamovereenkomst is (pas) eind augustus 2014 opgemaakt. De eerst opgemaakte deelovereenkomst is eveneens eind augustus 2014 opgemaakt. Voorts is hier van belang dat X eerst op 24 augustus 2014 haar werkzaamheden bij DLG in juni en juli 2014 heeft gefactureerd aan Novisource, dus op of rond het tijdstip waarop de raamovereenkomst en de eerste deelovereenkomst aan haar waren toegezonden. Ook telt hier dat X niet heeft gesteld welke condities zij rond 1 juni 2014 met Novisource (mondeling) heeft afgesproken die een verband tussen de eerste deelovereenkomst en de raamovereenkomst zouden logenstraffen. Gezien de aldus bestaande gelijktijdigheid van en het inhoudelijke verband tussen de (wel door X) getekende eerste deelovereenkomst en de (niet door haar ondertekende) raamovereenkomst, heeft X moeten begrijpen dat Novisource, door de toezending van de genoemde bescheiden, haar aanbood de condities van haar overeenkomst van opdracht vast te leggen in overeenstemming met die beide bescheiden en dat Novisource uit de retourontvangst van de getekende eerste deelovereenkomst mocht afleiden dat zij de gelding van die beide bescheiden aanvaardde. Dat brengt mee dat de raamovereenkomst en de bijbehorende deelovereenkomst(en) tussen partijen van kracht zijn geworden. Novisource beroept zich op artikel 4.4 van de raamovereenkomst, stellend dat de feitelijke bekorting van de werkzaamheid van X bij DLG door de laatstgenoemde ook de laatste deelovereenkomst tussen Novisource en X heeft bekort. Artikel 4.4 spreekt onmiskenbaar van wijziging van de looptijd van de deelovereenkomst (tussen Novisource en X) door DLG, welke wijziging dan ook tussen Novisource en X zal gelden. Dat staat los van de vraag of de overeenkomst tussen Novisource en DLG, ter uitvoering waarvan Novisource met X deelovereenkomsten is aangegaan, eindigt. Bij deze stand van zaken moet het beroep van Novisource op artikel 4.4 als onvoldoende weersproken worden gehonoreerd. Dat betekent dat de deelovereenkomst over december 2014 in beginsel is geëindigd door de beslissing van DLG om X niet langer in haar onderneming te werk te stellen.