Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/A c.s.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 juni 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:2866

werknemer/A c.s.

Geen sprake van misbruik van faillissementsrecht. Faillissementsaanvraag is niet uitsluitend gedaan om de werknemers de aan hen buiten faillissement toekomende arbeidsrechtelijke bescherming te onthouden.

Tussen werknemer en bedrijf X B.V. (hierna: bedrijf X) is op 9 februari 2007 een arbeidsovereenkomst gesloten. Sinds 25 juni 2010 heeft bedrijf X haar naam gewijzigd in bedrijf Y B.V. (hierna: bedrijf Y). Gelijk met deze naamswijziging heeft bedrijf Y een (groot) aantal activa overgedragen aan haar zustervennootschap, bedrijf X Nederland B.V. (hierna ook: bedrijf X). Vanaf toen werden de bedrijfsactiviteiten binnen het bedrijf X-concern verricht door bedrijf X (de werkmaatschappij) en huurde bedrijf X onder meer het daarvoor benodigde personeel, de kantoorruimte en automatisering in bij bedrijf Y (de kostenvennootschap). Op 24 april 2014 heeft bedrijf X de overeenkomst met bedrijf Y opgezegd. Vanwege het eindigen van de overeenkomst tussen bedrijf X en vier grote SW-bedrijven en daarbij tevens het bericht dat reeds aangekondigde aansluiting van drie andere SW-bedrijven is ingetrokken, zou voortzetting van de overeenkomst niet meer mogelijk zijn vanwege te hoge financiële lasten. Op 29 april 2014 is het faillissement van bedrijf Y op eigen verzoek uitgesproken. Op dat moment was de heer B enig bestuurder van bedrijf Y. De curator heeft de arbeidsovereenkomsten van alle werknemers op 30 april 2014 opgezegd. Bedrijf X heeft na het faillissement van bedrijf Y de bedrijfsactiviteiten (in afgeslankte vorm) voortgezet. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat de formele bestuurder (de heer B) en de feitelijk bestuurder/beleidsbepaler (de heer A) onrechtmatig hebben gehandeld jegens werknemer en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens werknemer, alsmede een veroordeling tot betaling van een bedrag van € 126.000 bruto. Volgens werknemer is het faillissement aangevraagd met als enig doel de arbeidsrechtelijke bescherming van het personeel te omzeilen.

De rechtbank oordeelt als volgt. In het licht van de stellingen van partijen is de eerste vraag die voorligt of bedrijf Y haar bevoegdheid tot het aanvragen van haar eigen faillissement heeft uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De reden van het faillissement van bedrijf Y moet dan ook worden vastgesteld. Op basis van de overgelegde cijfers en in het licht van het wegvallen van een aantal belangrijke klanten van bedrijf X acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat bedrijf X in april 2014 niet meer in staat was om haar verplichtingen jegens bedrijf Y na te komen en dat bedrijf Y daardoor in een toestand is komen te verkeren dat zij heeft opgehouden te betalen. Deze conclusie brengt reeds mee dat niet gezegd kan worden dat de aanvraag van het eigen faillissement van bedrijf Y (nagenoeg) uitsluitend is gedaan om de werknemers de aan hen buiten faillissement toekomende arbeidsrechtelijke bescherming te onthouden. Of anders gezegd: ook zonder dit arbeidsrechtelijke voordeel zou bedrijf Y gezien haar slechte financiële situatie de faillissementsaanvraag hebben ingediend. Van misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW is daarom geen sprake. De stelling van werknemer dat de situatie dat er geen geld was voor een (grootscheepse) reorganisatie zelf door de heer A en de heer B is gecreëerd, onder meer door in bedrijf Y geen actief aanwezig te laten zijn en bedrijf Y uitsluitend als kostenvennootschap te laten fungeren, maakt het vorenstaande niet anders. Hiervoor is redengevend dat het een ondernemer in beginsel vrijstaat om zijn bedrijf binnen de wettelijke kaders in te richten, ook als die inrichting inhoudt dat de activa bij de werkmaatschappij worden ondergebracht en het benodigde personeel binnen een kostenvennootschap wordt geplaatst. Een zodanige structuur levert in zijn algemeenheid dus niet een misbruik van recht op (bij een faillissement van de kostenvennootschap). Er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die tot een andere conclusie kunnen leiden. Mocht de doorstart overigens door bedrijf X en zijn bestuurder(s) zijn voorgekookt, maakt dat nog niet dat sprake is van oneigenlijk gebruik van het middel van de faillissementsaanvraag. Overigens zijn de vraag of sprake is van verwijtbaar handelen van het bestuur en de vraag of sprake is van misbruik van faillissementsrecht niet zonder meer inwisselbare rechtsvragen. Ook al zou sprake zijn van onbehoorlijk bestuur, zoals gesteld door werknemer, dan impliceert dat niet dat misbruik van faillissementsrecht is gemaakt. Volgt afwijzing van de vorderingen.