Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 25 november 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:6440

werknemer/werkgever

Werknemer geniet niet de bescherming van de overgang-van-ondernemingregels in geval van faillissement.

X houdt zich bezig met de handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Werknemer is sinds 3 februari 1975 in dienst geweest bij de vader van X, eveneens een garagebedrijf voerende maar waarbij ook nog in de aan- en verkoop en lease van auto’s gehandeld werd. Op het bedrijfspand van de vader van X, onder één dak gevestigd met X, is een verhuisbericht aan de deur bevestigd, waarop te lezen was dat X was verhuisd. De verhuizing vond plaats op 1 augustus 2015. De vader van X is in staat van faillissement verklaard op 8 september 2015. De curator en het UWV geven te kennen dat er sprake is van overgang van onderneming en dat de loondoorbetaling door X moet worden overgenomen. Werknemer vordert loondoorbetaling door X.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De wetgever heeft ervoor gekozen om de bescherming van de werknemer in geval van overgang van onderneming buiten toepassing te laten in geval van faillissement van de werkgever. Het al dan niet geven van bescherming aan de werknemer is in onderhavig geval aan de orde gelet op het faillissement van de vader van X op 8 september 2015 en de niet dan wel onvoldoende weersproken stelling van de zijde van X dat de inventaris van ‘Opa’ die eerder in bruikleen was bij de vader van X, eerst na datum faillissement in gebruik werd genomen door X. Met andere woorden, de kantonrechter, die van de juistheid daarvan heeft uit te gaan, ziet niet reeds een overgang van onderneming voor datum faillissement. Het gebruik van de inventaris is een van de bepalende omstandigheden bij het kapitaalintensieve garagebedrijf dat X voert om van een overgang te spreken. De vraag rijst of in navolging van de uitspraak van de kantonrechter te Leeuwarden (Ktr. Leeuwarden 22 augustus 2014) ondanks en strijdig met de uitzondering op de beschermingsbepalingen (art. 7:666 BW) de werknemer toch beschermd zou moeten worden. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 7 februari 1985, NJ 1985/900, 901 en 902, blijkt dat een reden voor de in artikel 7:666 lid 1 BW neergelegde uitzondering, inhoudende dat de regels van overgang van onderneming niet van toepassing zijn in geval van faillissement, was om de curator meer mogelijkheden te geven om een doorstart van een gefailleerde onderneming te bewerkstelligen teneinde zo veel mogelijk werkgelegenheid te kunnen behouden. Gelet op het faillissement van de vader van X geldt geen bescherming op grond van de overgang van ondernemingsregels voor werknemer. Het kan niet zo zijn dat het enkele feit dat de beschermingsregels in het faillissement niet negatief uitpakken voor de werknemers omdat er werkgelegenheid is, ertoe leidt dat de uitzondering op de beschermingsregel voor overgang van onderneming dan maar niet geldt. Genoemde uitzondering op de bescherming moet in een breder perspectief gezien worden. De wetgever koos ervoor binnen het bestek van de richtlijn om aan de bescherming in geval van faillissement voorbij te gaan met het oog op het belang van de kans op behoud van werkgelegenheid. Het gaat dus niet exclusief om de werknemers van de failliet maar om een ruimer verband. In het voorliggende geval zijn geen of onvoldoende termen aanwezig om de wettelijke uitzondering op de bescherming ex artikel 7:666 BW te passeren. Daartoe is niets dan wel onvoldoende gesteld of gebleken. In het licht van de ratio van deze bepaling is bovendien niet dan wel onvoldoende weersproken door werknemer, en daarmee gaat de kantonrechter ook daarvan uit, dat indien werknemer in dienst zou zijn gekomen van X, X zou failleren, terwijl nu juist de achterliggende gedachte van meergenoemde wettelijke bepaling voortzetting van het gefailleerde overgegane bedrijf en de daarmee gepaard gaande werkgelegenheid in algemene zin is. Reeds hierom moet werknemer de bescherming waarop hij zich op beroept worden ontzegd. De kantonrechter zal dan ook niet meer toekomen aan beantwoording van de vraag of er daadwerkelijk sprake is van overgang van onderneming. Dit kan in het midden blijven nu werknemer, ook in dat geval, niet met vrucht een beroep daarop toekomt.