Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 28 juni 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:2627
werknemer/Nestinox BV
Werknemer (geboren 1963) is met ingang van 2 januari 2012 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar in dienst getreden van Nestinox in de functie van verkoopmedewerker binnendienst tegen een bruto maandsalaris van € 2.863,30 exclusief emolumenten. Deze arbeidsovereenkomst is voortgezet van 2 januari 2013 tot 1 januari 2014 en van 2 januari 2014 tot 1 januari 2015. Na ommekomst van 31 december 2014 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege geëindigd. In de onderhavige procedure vordert Nestinox een verklaring voor recht dat werknemer gehouden is het tussen hen overeengekomen concurrentiebeding na te leven. Werknemer heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van Nestinox is geëindigd, dat hij kostwinner is, dat zijn leeftijd hem bemoeilijkt in het vinden van een andere baan, dat de prijsinformatie grotendeels openbaar is, dat de prijsafspraken een beperkte geldigheidsduur hebben, dat Nestinox het beding niet wil omzetten in een relatiebeding, dat onder de Wet werk en zekerheid (hierna: WWZ) een concurrentiebeding niet aan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden verbonden en dat het beding te algemeen is, geografisch te ruim is en een te lange termijn kent. De kantonrechter heeft de vorderingen van Nestinox toegewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Het overgangsrecht bepaalt duidelijk dat de nieuwe regels pas ingaan vanaf 1 januari 2015. Een en ander neemt niet weg dat bij de belangenafweging gewicht toekomt aan het feit dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Nestinox heeft onvoldoende gesteld dat haar belang bij handhaving van het concurrentiebeding nog steeds opweegt tegen het belang van werknemer bij een vrije arbeidskeuze, waarbij komt dat het concurrentiebeding zwaar drukt nu de arbeidsrelatie van tijdelijke aard was en Nestinox de relatie niet wilde verlengen. Immers Nestinox heeft niet gesteld met hoeveel klanten – en welk deel van haar omzet deze klanten vertegenwoordigen – Nestinox ten tijde van het einde van het dienstverband van werknemer op 1 januari 2015 prijsafspraken had gemaakt die nu nog voortduren. Wat de kennis van werknemer van haar klantenbestand betreft, had Nestinox haar belang hierbij kunnen beschermen door te volstaan met een relatiebeding, dat wil zeggen een verbod aan werknemer om voormelde klanten te benaderen. Werknemer heeft dit ook aan Nestinox aangeboden. Uit het bovenstaande volgt dat de vorderingen in conventie van Nestinox, dat werknemer gehouden is tot nakoming van het concurrentiebeding en hem te verbieden dat beding te overtreden, alsnog zullen worden afgewezen. De door werknemer op grond van artikel 7:653 lid 4 BW gevorderde vergoeding over de periode vanaf 1 januari 2015 tot het einde van de beperking door het concurrentiebeding, wordt afgewezen. Daarbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat de belangenafweging thans in het voordeel van werknemer uitvalt, maar dat daarmee geenszins is gezegd dat Nestinox werknemer aanvankelijk niet aan het concurrentiebeding mocht houden.