Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever c.s.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 22 juni 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:7281

werknemer/werkgever c.s.

Werknemer is op de werkvloer door een collega met een stilettomes in het gezicht, de hals, de rug, de buik en de borst gestoken. Collega is daarvoor – wegens poging tot doodslag – veroordeeld tot een gevangenisstraf. Werkgever is echter niet aansprakelijk voor de door werknemer geleden schade op grond van artikel 6:170 BW, 7:658 BW en 7:611 BW.

Op 1 februari 1993 is werknemer bij werkgever in dienst getreden in de functie van teeltmedewerker. Op 29 augustus 2013 heeft een incident plaatsgevonden waarbij A, collega-teeltmedewerker, werknemer op de werkvloer met een stilettomes in het gezicht, de hals, rug, buik en borst heeft gestoken. Vervolgens is A – wegens poging tot doodslag – veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden. Sinds 29 augustus 2013 is werknemer arbeidsongeschikt. Thans vordert werknemer betaling van smartengeld ad € 20.000, verlies aan inkomsten ad € 34.029 en bijkomende kosten ad € 2.810,34. Subsidiair vordert werknemer betaling van het overwerk ad € 8.554 bruto. Primair stelt werknemer dat werkgever op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is. Subsidiair stelt werknemer dat werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Meer subsidiair grondt werknemer zijn vordering op artikel 7:611 BW. Werkgever voert gemotiveerd verweer.

De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst dient te worden beoordeeld of werkgever aansprakelijk is voor de door werknemer geleden schade ten gevolge van de mishandeling/poging tot doodslag. Daartoe wordt als volgt overwogen. Werknemer stelt dat werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 6:170 BW. Echter, om de (risico)aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW te doen intreden, is vereist dat er voldoende verband bestaat tussen de fout van de ondergeschikte en de aan hem opgedragen taak en dit is niet het geval. De aard van de onrechtmatige gedraging van A, het toebrengen van ernstig letsel bij werknemer, houdt namelijk geen verband met de aan A opgedragen werkzaamheden. Evenmin hebben deze werkzaamheden de kans op de mishandeling vergroot, teminder nu A daarbij een eigen mes heeft gebruikt en dus geen middel dat hem door zijn werkgever ter beschikking is gesteld. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit het dossier van de strafzaak blijkt dat A bij werkgever dikwijls zijn hekel aan Marokkanen op grond van vooroordelen uitte. Over het stilettomes heeft A in de strafzaak verklaard dat hij dit van huis had meegenomen om zich, als werknemer hem zou aanvallen, te kunnen verdedigen. Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat niet een onenigheid over de uitvoering van de werkzaamheden, de verdeling van bevoegdheden of de bejegening van collega’s de achtergrond vormt van het incident, maar een persoonlijke afkeer en/of wantrouwen van A jegens werknemer. Gelet op het voorgaande is de omstandigheid dat het incident binnen de werksituatie heeft plaatsgevonden onvoldoende om te kunnen concluderen dat een functioneel verband bestaat tussen de taken van A en diens foutieve gedraging jegens werknemer. Derhalve is werkgever niet aansprakelijk jegens werknemer op grond van artikel 6:170 BW. Evenmin is werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. Daartoe wordt als volgt overwogen. Werkgever heeft onder meer aangevoerd dat A en werknemer ten tijde van het incident ongeveer drie jaar collega’s waren, dat bekend was dat zij geen goede vrienden van elkaar waren, maar dat zij in de kas niet behoefden samen te werken. Er bestond echter geen voor werkgever kenbare sluimerende conflictsituatie tussen A en werknemer of dreiging van het gebruik van fysiek geweld. Onder deze door werkgever aangevoerde en door werknemer niet weersproken omstandigheden, brengt het feit dat A op het werk dikwijls zijn opvattingen over Marokkanen uitte, niet mee dat werkgever heeft kunnen voorzien dat zich een zo ernstig incident als het onderhavige zou kunnen voordoen. Hieruit volgt dat artikel 7:658 BW geen grondslag biedt voor aansprakelijkheid van werkgever. Ten slotte is de werkgever ook niet aansprakelijk op grond van artikel 7:611 BW. Evenmin komt de subsidiaire vordering voor toewijzing in aanmerking. Deze vordering wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.