Naar boven ↑

Rechtspraak

IGP/werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 7 juli 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:2725

IGP/werknemer

Werkgever dient in hoger beroep een beroep te doen op artikel 7:628 BW wil hij bij een terecht gegeven ontslag op staande voet de loonaanspraak beperken. Dringende reden in hoger beroep leidt niet automatisch tot verval loonaanspraak.

Werknemer (geboren 1959) is op 1 april 2015 in dienst getreden van IGP in de functie van plaatwerker tegen een salaris van € 3.225 bruto. Op 24 juli 2015 heeft IGP werknemer op staande voet ontslagen. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de opzegging vernietigd en doorbetaling van het loon toegewezen. IGP komt van dit oordeel in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. De situatie sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid is als volgt. Indien de kantonrechter een opzegging (ontslag op staande voet) vernietigt, dan is de arbeidsovereenkomst in stand gebleven en die arbeidsovereenkomst blijft in stand, ook als het hof wél van oordeel is dat het ontslag op staande voet terecht was. Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst voortduurt tot de door het hof vast te stellen einddatum, betekent echter niet zonder meer dat de werknemer ook recht heeft op loon. Op grond van artikel 7:628 lid 1 BW behoudt de werknemer recht op loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Over de vraag of in een situatie als hier geschetst sprake is van ‘een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen’ kan verschillend worden gedacht. Voorheen betekende een andersluidend oordeel van het hof over een ontslag op staande voet, dat er, achteraf beschouwd, geen grondslag was voor loonbetaling vanwege het enkele feit dat er geen arbeidsovereenkomst meer was. Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid, is die arbeidsovereenkomst er wel. Wanneer de werkgever in hoger beroep niet alleen alsnog wil bereiken dat de arbeidsovereenkomst eindigt, maar ook wil dat hij geen (of minder) loon verschuldigd is vanaf de datum van het ontslag op staande voet, zal het hoger beroep (anders dan voorheen) uitdrukkelijk ook gericht moeten zijn tegen het oordeel van de kantonrechter dat loon moet worden betaald. Immers, het oordeel in hoger beroep dat wél sprake is van een dringende reden, betekent niet (meer) dat aan die loonbetaling geen arbeidsovereenkomst (voor de periode tot de beslissing in hoger beroep) ten grondslag ligt, dus niet meer automatisch dat geen loon verschuldigd is vanaf de datum van het ontslag op staande voet. Voor de beoordeling of IGP het loon (volledig of tot een gematigd bedrag) dient te betalen tussen 24 juli 2015 en 1 februari 2016 is van belang of zij een dringende reden had om werknemer op staande voet te ontslaan. IGP heeft haar hoger beroep echter beperkt tot het oordeel van de kantonrechter over de dringende reden. Haar hoger beroep is niet gericht tegen haar veroordeling tot doorbetaling van het loon.