Rechtspraak
werkneemster
Werkneemster heeft in een procedure een vordering ingesteld tegen haar werkgeefster tot afgifte van haar personeelsdossier. Op 12 mei 2016 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal heeft de wederpartij van werkneemster naar aanleiding van vragen van de rechter verklaard dat het personeelsdossier alleen nog in digitale vorm aanwezig was en dat het mogelijk was om documenten uit dat dossier te printen. Vervolgens heeft de rechter verklaard: ‘Waar gaat deze zaak over? Of even inloggen, of even uitprinten? Deze zaak gaat eigenlijk nergens over.’ Vervolgens heeft de gemachtigde van werkneemster verwezen naar een arrest van de Hoge Raad uit 2007. Volgens de gemachtigde is dat arrest niet achterhaald door de digitalisering en geeft het aanspraak op een afschrift van het dossier. Na een korte schorsing heeft de gemachtigde namens werkneemster een wrakingsverzoek gedaan, omdat de rechter heeft gezegd dat de zaak nergens over gaat en de uitspraak van de Hoge Raad niet relevant meer is.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechter heeft ter zitting aangevoerd dat de uitdrukking ‘Het gaat drie keer nergens over’ een Amsterdamse uitdrukking is. Uitgesproken door een ‘Amsterdamse’ kantonrechter en gelet op zijn toelichting kan daaruit naar het oordeel van de rechtbank geen partijdigheid worden afgeleid. De rechter heeft met zijn opmerking nog geen oordeel gegeven over gegrondheid van de vordering van werkneemster. Blijkens het proces-verbaal was die opmerking een reactie op de verklaring van de wederpartij van werkneemster dat er geen bezwaar was om een afschrift van het personeelsdossier aan werkneemster te verstrekken (zij het in digitale vorm). Partijen waren het er dus over eens dat werkneemster de beschikking zou krijgen over haar personeelsdossier. Tussen hen bestond enkel een verschil van mening over de praktische uitvoering daarvan, hetgeen tot de voorlopigevoorzieningsprocedure had geleid. In dat licht bezien is de opmerking van de kantonrechter dat de zaak nergens over ging, niet ongepast. De uitlating van de rechter over het belang van het bewuste arrest van de Hoge Raad, zoals door werkneemster is gesteld, levert evenmin een blijk van enige vooringenomenheid op. Kennelijk heeft de rechter bedoeld om een juridisch kader te schetsen. Dat de rechter (blijkens zijn schriftelijke reactie) ter zitting de conclusie heeft getrokken dat er kennelijk aan de zijde van de wederpartij (niet langer) bezwaar bestond tegen de verstrekking van het personeelsdossier en dat hij dit heeft ‘vastgesteld’ geeft evenmin blijk van enige partijdigheid. Volgt afwijzing van het wrakingsverzoek.