Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 juli 2016
ECLI:EU:C:2016:564
Ornano/Ministero della Giustizia, Direzione Generale dei Magistrati del Ministero (Italië)
Op 23 februari 2007 heeft Ornano, rechter bij het Tribunale di Cagliari (gerecht Cagliari, Italië), het ministerie van Justitie verzocht om uitbetaling van met name de bijzondere vergoeding voor rechters voor twee tijdvlakken van verplicht zwangerschapsverlof die zij in de jaren 1997/1998 en 2000/2001 had genoten. Bij een besluit van 30 maart 2007 heeft de minister van Justitie dit verzoek van Ornano afgewezen, omdat deze twee tijdvlakken van zwangerschapsverlof vóór de datum van inwerkingtreding van de gewijzigde versie van artikel 3, eerste alinea, van wet nr. 27/81, te weten 1 januari 2005, lagen, en deze wijziging geen terugwerkende kracht had. Na diverse nationale procedures – waaronder een toetsing aan de grondwettigheid van de bepaling – stelt de verwijzende rechter thans vragen aan het Hof in hoeverre het niet voorzien van terugwerkende kracht aan de compensatieregeling tijdens zwangerschapsverlof van toelagen die rechters tijdens werkzaamheden ontvangen in strijd is met Unierecht.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Het in artikel 11 van Richtlijn 92/85 gebruikte begrip ‘bezoldiging’ omvat, evenals de in artikel 119 van het EG-Verdrag (later art. 141 EG) gegeven definitie, de voordelen die de werkgever direct of indirect gedurende het zwangerschapsverlof aan de werkneemster uit hoofde van haar dienstbetrekking betaalt. Het eveneens in genoemd artikel 11 voorkomende begrip ‘uitkering’ omvat daarentegen al het inkomen dat de werkneemster tijdens haar zwangerschapsverlof ontvangt en dat haar niet door haar werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst wordt betaald (zie in die zin arresten van 27 oktober 1998, Boyle e.a., C-411/96, ECLI:EU:C:1998:506, punt 31, en 1 juli 2010, Parviainen, C-471/08, ECLI:EU:C:2010:391, punt 35). Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen werkneemsters zich echter niet met succes op artikel 11, punten 2 en 3, van Richtlijn 92/85 beroepen om gedurende hun zwangerschapsverlof het behoud van hun volledige bezoldiging te vorderen, alsof zij, net zoals de andere werknemers, daadwerkelijk hun arbeid zouden verrichten (zie in die zin arresten van 13 februari 1996, Gillespie e.a., C-342/93, ECLI:EU:C:1996:46, punt 20; 30 maart 2004, Alabaster, C-147/02, ECLI:EU:C:2004:192, punt 46, en 1 juli 2010, Gassmayr, C-194/08, ECLI:EU:C:2010:386, punt 82). Het begrip ‘bezoldiging’ in artikel 11, punten 2 en 3, van Richtlijn 92/85 dient aldus te worden onderscheiden van het begrip ‘volledige bezoldiging’ die wordt verkregen wanneer de werkneemster daadwerkelijk haar arbeid verricht en die, in het onderhavige geval, de bijzondere vergoeding voor rechters omvat, die betrekking heeft op de kosten die de gewone rechters dragen in de uitoefening van hun beroep. Zoals blijkt uit Richtlijn 92/85 en uit de rechtspraak van het Hof, heeft de Uniewetgever willen garanderen dat de werkneemster tijdens haar zwangerschapsverlof een inkomen geniet dat ten minste gelijk is aan de uitkering die zij ingevolge de nationale socialezekerheidswetgeving zou ontvangen wanneer zij haar werkzaamheden om gezondheidsredenen onderbreekt (zie in die zin arresten van 27 oktober 1998, Boyle e.a., C-411/96, ECLI:EU:C:1998:506, punt 32; 1 juli 2010, Gassmayr, C-194/08, ECLI:EU:C:2010:386, punt 83, en 13 februari 2014, TSN en YTN, C-512/11 en C-513/11, ECLI:EU:C:2014:73, punt 36). Het in artikel 119 van het EG-Verdrag (later art. 141 EG) geformuleerde en in Richtlijn 75/117 gepreciseerde beginsel van gelijke beloning tussen mannen en vrouwen, houdt niet de verplichting in om vrouwelijke werknemers tijdens hun zwangerschapsverlof het volledige loon door te betalen en voorziet evenmin in specifieke criteria voor het bepalen van het bedrag van de uitkeringen die hun tijdens die periode worden betaald, met dien verstande dat het bedrag van die uitkeringen niet zo gering mag zijn dat het doel van het zwangerschapsverlof daardoor op de helling komt te staan. Voor zover die uitkeringen worden berekend op basis van een loon dat de vrouwelijke werknemer vóór het begin van haar zwangerschapsverlof ontving, dienen zij evenwel de loonsverhogingen te omvatten die zijn ingetreden tussen het begin van de door het referentieloon gedekte periode en het einde van het zwangerschapsverlof, en dit vanaf het ogenblik waarop die loonsverhogingen in werking zijn getreden (arrest van 13 februari 1996, Gillespie e.a., C-342/93, ECLI:EU:C:1996:46, punt 25). Uit deze rechtspraak volgt dat het enkele feit dat een gewone rechter tijdens een verplicht zwangerschapsverlof, in tegenstelling tot haar mannelijke collega’s die hun arbeid daadwerkelijk verrichten, geen recht heeft op een bijzondere vergoeding voor rechters, geen discriminatie op grond van geslacht vormt in de zin van artikel 119 van het EG-Verdrag (later art. 141 EG) en artikel 1 van Richtlijn 75/117. Gelet op het bovenstaande dient op de vraag te worden geantwoord dat artikel 119 van het EG-Verdrag (later art. 141 EG), artikel 1 van Richtlijn 75/117, artikel 11, punt 2, onder b, van Richtlijn 92/85, alsmede artikel 11, punt 3, van deze laatste Richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat ingeval de betrokken lidstaat niet heeft bepaald dat alle bestanddelen van de bezoldiging waarop een gewone rechter vóór haar zwangerschapsverlof recht had, moeten worden doorbetaald, deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een gewone rechter in het geval waarin het tijdvak van verplicht zwangerschapsverlof vóór 1 januari 2005 ligt, geen recht heeft op een toelage ten aanzien van kosten die gewone rechters dragen in de uitoefening van hun beroep, op voorwaarde dat deze werkneemster gedurende dat tijdvak een inkomen heeft genoten dat ten minste gelijk is aan de uitkering die zij ingevolge de nationale socialezekerheidswetgeving zou ontvangen wanneer zij haar werkzaamheden om gezondheidsredenen onderbreekt. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.