Rechtspraak
werknemer/Stichting
In deze Caribische zaak over het ontslag van een bestuurder van een Arubaanse stichting gaat het om de vraag of de rechter zijn oordeel dat sprake is van wanbeheer heeft mogen baseren op uitspraken van rechterlijke autoriteiten in New Jersey (Verenigde Staten), waarin ten aanzien van de desbetreffende bestuurder ‘wrongful conduct’ is vastgesteld. Ook rijst de vraag of de rechter ten onrechte een (tegen)bewijsaanbod van de bestuurder heeft gepasseerd.
De advocaat-generaal concludeert als volgt. In het onderhavige geval is het aan de rechter om te oordelen of, en zo ja, welke bewijskracht aan de buitenlandse beslissingen wordt toegekend. Het hof heeft kennis genomen van de uitspraken van de Chancery Judge [het hof doelt hiermee op de uitspraak van de Superior Court of New Jersey van 23 december 2009; A-G] en de Appellate Division en acht hun bevindingen voldoende bewijskracht op te leveren om te oordelen dat aan de zijde van verzoeker sprake is van ‘wanbeheer’. A fortiori geldt dit voor de beslissing van de Chancery Judge die mede concludeerde tot ‘wrongful conduct’ (zie hiervóór rov. 4.6 [bedoeld zal zijn rov. 4.7; A-G]), maar ook indien uitsluitend gelet wordt op de beslissing in hoger beroep van de Appellate Division – welke beslissing op financiële feiten en omstandigheden is gebaseerd – acht het hof bewezen dat aan de zijde van verzoeker sprake was van tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de stichting of van de zorg voor de verkrijging van de inkomsten waarover de stichting kan beschikken. In de onderhavige procedure heeft verweerder zich tot het GEA gewend en het ontslag van verzoeker gevorderd op grond van wanbeheer. Verweerder heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van wanbeheer beroepen op (in eerste instantie) de einduitspraak van de Superior Court of New Jersey van 23 december 2009 en (later ook) de uitspraak van de Superior Court of New Jersey Appellate Division van 24 december 2012. Zowel het GEA als het hof hebben vervolgens op basis van de feitelijke bevindingen in die uitspraken geoordeeld dat het bewijs is geleverd dat er sprake is van wanbeheer aan de zijde van verzoeker. Verzoeker heeft in hoger beroep slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan (bewijs van zijn stellingen door middel van ‘alle middelen rechtens’). Voor zover verzoeker daarbij het oog had op schriftelijke bewijsvoering, kan niet worden gezegd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in artikel 130 lid 2 ARv. Immers, van een partij die zich beroept op stukken waarover zij beschikt, mag worden verlangd dat zij die uit zichzelf in het geding brengt. De rechter behoeft haar daartoe niet in de gelegenheid te stellen. Er wordt van een partij dus verwacht dat zij zo veel mogelijk anticipeert op de eventuele relevantie van in haar bezit zijnde stukken voor het bewijs van haar stellingen en niet het oordeel van de rechter afwacht. Doet zij dit wel door de stukken niet over te leggen maar aan te bieden dat alsnog te doen, dan loopt zij het risico dat het te laat is om die stukken nog te kunnen overleggen. Gelet op het voorgaande lag het op de weg van verzoeker om eventuele schriftelijke bewijsmiddelen uit eigen beweging in het geding te brengen. Het hof heeft verzoeker de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs daarmee dus niet onthouden.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.