Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Nestaan Holland B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 14 juni 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:1580

werknemer/Nestaan Holland B.V.

Werknemer is gehouden schade werkgever te vergoeden wegens ongerechtvaardigde wijziging van zijn pensioenregeling. Wijziging pensioenregeling overschrijdt Witteveenkader.

Werknemer is met ingang van 1 augustus 1988 bij Nestaan in dienst getreden in de functie van Hoofd Administratie/Bedrijfscontroller. In 1989 hebben partijen afspraken gemaakt over pensioen. De pensioenregeling is met ingang van 15 januari 2004 in een aantal opzichten gewijzigd. De desbetreffende pensioenbrief is door werknemer ondertekend op 15 januari 2004, zowel namens zichzelf als namens Nestaan. In deze regeling is in artikel 3 lid 3 de pensioengrondslag uitgebreid met het vakantiegeld en de 13e maand. Uit artikel 4 lid 1 volgt voorts dat het opbouwpercentage van het beoogde ouderdomspensioen verhoogd van 1,75% naar 2% op jaarbasis. Er heeft geen voorafgaand overleg over deze wijzigingen plaatsgevonden met de statutaire directie van Nestaan. Instemming met deze wijzigingen is door Nestaan ook achteraf niet gegeven. Bij eindvonnis van 7 november 2014 is werknemer veroordeeld om aan Nestaan te betalen een bedrag van € 128.444,63, vermeerderd met wettelijke rente, en is Nestaan in reconventie veroordeeld om aan werknemer diverse bedragen te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Volgens werknemer heeft hij de wijzigingen doorgevoerd vanwege het zogenoemde Witteveenkader. Bij ongewijzigde voortzetting van de pensioenregeling zou werknemer vanwege fiscale sancties een lager pensioen opbouwen dan hem in 1989 was toegezegd en zou Nestaan worden geconfronteerd met aanzienlijke fiscale boetes die niet op werknemer verhaalbaar zouden zijn. De noodzaak van de aanpassingen maakt dat deze gerechtvaardigd zijn, aldus nog steeds werknemer.

Het hof oordeelt als volgt. Voor zover werknemer beoogt te stellen dat de aanpassingen van de pensioenregeling niet meer dan een technische wijziging vormden met geen ander doel dan (kostenneutraal) te voldoen aan nieuwe fiscale regels in het kader van de Wet LB 1964 – in die zin dat de pensioenpremies en bijdragen in de toekomst ook ten laste van het brutoloon konden worden gebracht dan wel, voor zover het ging om het werkgeversaandeel daarin, voor de werkgever fiscaal aftrekbaar zouden zijn – is dat onvoldoende onderbouwd en gaat het hof daaraan voorbij. Niet is toegelicht waarom het specifiek en uitsluitend vanwege de nieuwe fiscale regels nodig was het opbouwpercentage te verhogen en/of de pensioengrondslag te verruimen. De – betwiste – stelling dat de voordelen van de rente- en omvangkorting, de (vrijgevallen) premie voor het wezenpensioen en de renteparticipatie en winstdeling de oorspronkelijke pensioenregeling ‘mogelijk’ fiscaal bovenmatig zou maken is een onvoldoende onderbouwing.