Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Pantar Amsterdam/werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 juni 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:4326

Stichting Pantar Amsterdam/werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst werknemer met WSW-indicatie (e-grond). Werknemer is de verplichtingen die bij arbeidsongeschiktheid gelden onvoldoende nagekomen. Gelet op bijzondere positie werknemer geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen.

Werknemer is sinds 1 november 1996 in dienst van de Stichting Pantar Amsterdam (hierna: Pantar). Werknemer heeft een WSW-indicatie. Pantar verzoekt thans de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen van werknemer en/of vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Pantar stelt dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld, in die zin dat hij niet deugdelijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 7:660a BW is nagekomen. Werknemer is herhaaldelijk het verzuimprotocol niet nagekomen. Pantar heeft werknemer schriftelijk gemaand zijn verplichtingen na te komen, heeft hem diverse keren gewaarschuwd en heeft een second opinion aangevraagd. Werknemer heeft meerdere keren geweigerd passende arbeid te verrichten, is ten minste tweemaal niet bij de bedrijfsarts op controle of consult geweest zonder bericht van verhindering en was veelvuldig afwezig op de gesprekken van hoor en wederhoor. Zelfs de door Pantar opgelegde sancties (twee keer voorwaardelijk ontslag) en de loonopschorting hebben geen resultaat opgeleverd in die zin dat werknemer zijn handelen heeft aangepast, aldus Pantar. Werknemer verzoekt Pantar te veroordelen om hem het achterstallige loon vanaf 26 januari 2016 tot het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Van Pantar kan – als bijzondere werkgever in WSW-verband – verwacht worden dat zij meer dan andere werkgevers zich richt op voortzetting van de arbeidsrelatie met de WSW-werknemers en dat zij meer accepteert en incasseert dan ‘gewone’ werkgevers. Dat heeft Pantar naar het oordeel van de kantonrechter echter ruimschoots gedaan. Pantar heeft zeer veel geduld betracht met werknemer, die keer op keer niet op zijn werk of afspraken is verschenen, zowel bij Pantar als bij de bedrijfsarts, en die zich over een lange periode veelvuldig niet aan het verzuimprotocol heeft gehouden of toezeggingen deed, die hij vervolgens niet nakwam. Werknemer is de verplichtingen die ook voor een WSW-werknemer bij arbeidsongeschiktheid gelden onvoldoende nagekomen. Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen zijdens werknemer ontbonden dient te worden, zodat de tweede grond van Pantar (de g-grond; verstoorde verhouding) verder onbesproken kan blijven. Overigens wordt ook die grond aanwezig geacht. Tegelijkertijd wordt geoordeeld dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zijdens werknemer. Gelet op de bijzondere positie van werknemer, met name zijn beperkingen, is zijn handelen niet op één lijn te stellen met de in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Werknemer komt een transitievergoeding toe. De kantonrechter ziet geen aanleiding om werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever doet zich hier niet voor.

Werknemer heeft verzocht Pantar te veroordelen om hem het achterstallige loon vanaf 26 januari 2016 tot het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen. Pantar heeft echter op voornoemde datum op goede gronden de loonbetaling van werknemer gestaakt. Werknemer was – tot zover nu is komen vast te staan – toentertijd in staat om te re-integreren, was zonder bericht van verhindering niet aanwezig om passende arbeid te verrichten en heeft zich na 26 januari 2016 ook niet meer voor passende arbeid ter beschikking gehouden. Gelet op het bepaalde in artikel 7:658a BW jo. artikel 7:629 lid 3 onderdeel c/d BW heeft werknemer dus geen recht op loon tijdens ziekte.