Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 29 juni 2016
ECLI:NL:RBGEL:2016:3915

werknemer/werkgever

Geldigheid contractuele afvloeiingsregeling. Baijingsleer. Belangenverstrengeling en onrechtmatig handelen.

In de arbeidsovereenkomst die is gesloten tussen werknemer en werkgever is in artikel 10 een contractuele afvloeiingsregeling opgenomen. Werknemer vordert nakoming van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 283.859,37 bruto.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever refereert ten eerste naar de zogenaamde Baijingsleer. Niet in geschil is dat de kantonrechter in de reeds tussen partijen gevoerde procedure ex artikel 7:685 BW op de hoogte was van het bestaan van de contractuele afvloeiingsregeling. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter in onderhavige procedure ervan uit kan gaan dat de kantonrechter in de procedure ex artikel 7:685 BW bij de beslissing over de vergoeding ex 7:685 lid 8 BW heeft aangenomen dat deze regeling wordt nagekomen. Uit de tekst van de overgelegde beschikking in de procedure ex artikel 7:685 BW volgt, anders dan werkgever stelt, niet dat de daar vastgestelde vergoeding in de plaats is gekomen van de vergoeding ingevolge artikel 10 van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat werknemer ontvankelijk is in zijn vordering tot nakoming van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst. Werkgever is bovendien van mening dat de contractuele afvloeiingsregeling in strijd is met de Zorgbrede Governance Code 2010 (hierna: ZGC 2010), alsmede met de Beloningscode Bestuurders in de Zorg (hierna: BBZ). Daaromtrent wordt als volgt overwogen. Uit de gang van zaken volgt dat de uiteindelijke aanpassing van de arbeidsvoorwaarden van werknemer in 2010, zoals weergegeven in het addendum van 9 juli 2010, het gevolg is van een traject waarin, na de ingeroepen hulp van een tweetal deskundige adviseurs, de raad van toezicht (RvT) van werkgever is gekend, waarna door de RvT van werkgever, daartoe statutair gerechtigd, op 18 mei 2010 een besluit is genomen. Dit besluit is vervolgens uitgevoerd door het opstellen van het addendum van 9 juli 2010 en de melding van de aangepaste arbeidsvoorwaarden bij de secretaris van de Toetsingscommissie BBZ. Dit heeft tot gevolg dat werkgever in beginsel gebonden is aan hetgeen zij met werknemer is overeengekomen, in het bijzonder het bepaalde in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst. Dat werkgever thans vraagtekens plaatst bij het besluit van de RvT in 2010, afgezet tegen de Zorgbrede Governance Code en BBZ, kan werknemer niet worden tegengeworpen. Werkgever stelt voorts met een beroep op artikel 6:248 BW en 6:258 BW dat sprake is van een zodanig uitzonderlijke situatie dat zij om die reden niet langer gebonden is aan de contractuele afvloeiingsregeling. Ook dit verweer slaagt niet. Er mag immers van uit worden gegaan dat de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de hoogte van de genoten beloning en bekrachtiging van bestaande arbeidsvoorwaarden destijds is meegewogen in de beslissing van de RvT. Bovendien is ernstig verwijtbaar handelen van werknemer bij de totstandkoming hiervan niet komen vast te staan. De loonkosten die werkgever heeft gemaakt komen voorts voor rekening en risico van werkgever en kunnen niet op deze wijze op werknemer worden afgewenteld. De stellingen van werkgever met betrekking tot ongeoorloofde belangenverstrengeling tussen werknemer en leveranciers van werkgever, onrechtmatig handelen in een dossier, waarbij werknemer zich meer concreet schuldig zou hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte en bedrog zijn allen omstandigheden die op zichzelf zouden kunnen worden aangeduid als een dringende reden in de zin van artikel 7:667 en 7:678 BW. Daarmee zou sprake kunnen zijn van de uitzondering als beschreven in artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Nu werknemer betwist dat hiervan sprake is, ligt het op de weg van werkgever dit te bewijzen, aangezien zij een beroep doet op deze uitzonderingsbepaling en de rechtsgevolgen daarvan. Nu zij bewijs heeft aangeboden, stelt de kantonrechter haar in de gelegenheid dit bewijs te leveren.