Naar boven ↑

Rechtspraak

X c.s./Veka Group B.V. c.s.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 22 juli 2016
ECLI:NL:RBZWB:2016:4595

X c.s./Veka Group B.V. c.s.

Managementovereenkomst is niet geëvolueerd in een arbeidsovereenkomst.

VeKa Group is een 100 procent-dochteronderneming van Portsight. Portsight en VeKa Group maken onderdeel uit van een aantal vennootschappen, tezamen aangeduid met het VeKa Concern (hierna: VeKa). VeKa is als volgt opgebouwd: X en zijn broer Z houden via hun persoonlijke vennootschappen, en Y ieder 50 procent van de aandelen in Bolder the Netherlands BV (hierna: Bolder). Bolder is de moedermaatschappij van VeKa Schipping BV, Portsight en VeKa Properties Holding BV. Buiten VeKa zijn X en Z ieder 50 procent aandeelhouder van VeKa Properties BV. Ten behoeve van de door X ten behoeve van VeK verrichte werkzaamheden stuurt Holding X maandelijks facturen naar Portsight. Aan X is door VeKa Group een Mercedes met bijbehorende tankpas ter beschikking gesteld. VeKa verkeert sinds 2013 in financiële problemen. Bij e-mailbericht van 17 februari 2016 heeft de CEO van Veka namens VeKa Group aan X bericht dat op grond van een tiental omschreven redenen besloten is de managementovereenkomst per direct te staken. In de onderhavige procedure stellen X en Y zich onder meer op het standpunt dat zolang de overeenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd er recht bestaat op doorbetaling van loon en overige emolumenten, zoals het ter beschikking stellen van de Mercedes en telefoon. Zij voeren daartoe het navolgende aan. De managementovereenkomst is inmiddels geëvolueerd in een arbeidsovereenkomst. Dit blijkt uit het feit dat X in 2015 het directeurschap is ontnomen en hij sindsdien onder een sterke gezagsverhouding van de CEO werkt. Z en de CEO hebben als directie meerdere malen eenzijdig het loon van X gehalveerd. X heeft de verplichting persoonlijk arbeid te verrichten tegen maandelijks loon en hem zijn ten behoeve van de werkzaamheden een auto en telefoon van de zaak verstrekt. De arbeidsovereenkomst kan slechts zonder inachtneming van een opzegtermijn worden beëindigd indien er sprake is van onverwijlde opzegging om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW. Hiervan is geen sprake. Voorts stellen X en Y dat door de advocaat van VeKa Group en Portsight bij brief van 30 maart 2016 expliciet en onvoorwaardelijk is toegezegd dat Portsight de managementfee aan Holding zal betalen tot het moment dat de managementovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. X en Y hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen. X en Y hebben, gelet op de betwisting aan de zijde van Veka Group en Portsight, hun stelling dat de managementovereenkomst zich heeft ontwikkeld tot een arbeidsovereenkomst tussen X en een van beide gedaagden onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. X stelt weliswaar dat hij maandelijks loon ontving, maar vaststaat dat de betalingen door Portsight op factuurbasis werden verricht, met vermelding van btw aan Y die de facturen verzond met vermelding 'Portsight/Managementfee'. Ook de inhoud van een vaststellingsovereenkomst van 28 juli 2015 waarin Portsight enerzijds en Y en de vennootschap overeenkomen dat de managementvergoedingen over 2013 en 2014 gezien de liquiditeitspositie van Portsight vooralsnog niet meer worden betaald of verrekend, duidt niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dat Z in een e-mailbericht van 28 januari 2016 schrijft dat de CEO de baas is van X maakt nog niet dat ook feitelijk sprake is van een gezagsverhouding. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat daadwerkelijk sprake is geweest van een gezagsverhouding zijn onvoldoende gesteld of gebleken.

In kort geding is geen plaats voor het horen van getuigen voor de precieze duiding van de managementovereenkomst waarvan in ieder geval thans geen tekst voorhanden is. Ten gunste van de lezing dat sprake is van een overeenkomst van opdracht geldt dat X daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Veronderstellenderwijs uitgaande van een overeenkomst van opdracht dient beoordeeld te worden of Portsight terecht een beroep heeft gedaan op opschorting van haar verplichtingen wegens toerekenbare tekortkoming van Y. Indien veronderstellenderwijs uitgegaan dient te worden van een overeenkomst sui generis als betalingsvehikel kan de omstandigheid dat Portsight geen winst maakt en dient te reorganiseren maken dat thans geen ruimte bestaat voor de uitbetaling van een managementfee, met dien verstande dat aan de niet-uitbetaling van de managementfee in het verleden in ieder geval gedeeltelijk wel een vaststellingsovereenkomst ten grondslag heeft gelegen en deze thans ontbreekt. De aard van deze overeenkomst en de feitelijke invulling van deze overeenkomst door partijen laat zich in kort geding niet voldoende vast stellen. Nu het beroep van Portsight op verrekening van de eventueel verschuldigde managementfee met de vordering van Portsight slaagt, dient ook om deze reden het gevorderde hieromtrent te worden afgewezen.