Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 juli 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:5516
werknemer/Bazuin & Partners B.V.
Werknemer is sinds 2009 in dienst. Hij bekleedde laatstelijk de functie van kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Na verkregen toestemming van het UWV is de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 april 2015. Werknemer voert aan dat de door het UWV opgelegde wederindiensttredingsvoorwaarde is geschonden. A en B zijn beiden in dienst getreden als kandidaat-gerechtsdeurwaarder en bekleden dezelfde functie als werknemer heeft bekleed bij werkgeefster. Werknemer heeft daarom de nietigheid van het ontslag ingeroepen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de door werkgeefster overgelegde arbeidsovereenkomsten van A en B volgt dat zij bij werkgeefster in dienst zijn getreden in de functie van incassomedewerkster, met dien verstande dat zij ook kunnen worden ingezet als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, juridisch medewerkster en account manager. Tot hun werkzaamheden behoren, blijkens de arbeidsovereenkomsten, het verrichten van kantoor- en incassowerkzaamheden in de meest ruime zin van het woord, alsmede het verrichten van ambtshandelingen en daarnaast alle voorkomende werkzaamheden voorvloeiend uit de deurwaarderspraktijk, welke taken zowel in binnen- als in buitendienst worden uitgevoerd. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het vergelijken van de functies die A en B vervullen ten opzichte van de functie die werknemer bij werkgeefster vervulde, de omvang van de ambtshandelingen die worden verricht van belang is. Dit leidt tot het oordeel dat het verrichten van ambtshandelingen kennelijk als de kerntaak van de toenmalige functie van werknemer dient te worden beschouwd. De functies die A en B thans bij werkgeefster vervullen, stemmen onvoldoende overeen met de functie die werknemer bij werkgeefster heeft vervuld om te kunnen oordelen dat werkgeefster de wederindiensttredingsvoorwaarde heeft overtreden, omdat werkgeefster de functies niet eerst aan werknemer heeft aangeboden. Het aantal ambtshandelingen dat A en B verrichten wijkt daarvoor immers te veel af van de werkzaamheden die werknemer bij werkgeefster pleegde te verrichten. Diens werkzaamheden bestonden immers juist vrijwel uitsluitend uit het verrichten van ambtshandelingen. Volgt afwijzing van de vorderingen.