Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 20 juli 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:9542
BAM Infra B.V./werknemer
Werknemer is sinds 1 mei 2015 in dienst van BAM in de functie Operationeel Manager/bedrijfsleider. BAM heeft besloten de unit waar werknemer werkzaam is (BAM Infra Milieu) op te heffen. Het UWV heeft toestemming voor opzegging geweigerd, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat BAM werknemer niet kan herplaatsen binnen de onderneming. BAM verzoekt ontbinding op grond van artikel 7:671b BW jo. artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW (bedrijfseconomische redenen). Het verweer van werknemer strekt tot afwijzing van het verzoek.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De opheffing van het bedrijfsonderdeel BAM Infra Milieu heeft werknemer niet betwist, zodat sprake is van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW. Voorts dient beoordeeld te worden of herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt of niet mogelijk is. De kantonrechter toetst aan dezelfde criteria als het UWV (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 31). De kantonrechter dient vol te toetsen of mogelijkheden tot herplaatsing in een andere passende functie binnen een redelijke termijn ontbreken. BAM is een groot concern met circa 21.000 fte. Volgens het eigen sociaal plan dient BAM zich optimaal in te spannen om werknemer passend werk aan te bieden. Dat er geen passende functies zijn voor werknemer, heeft BAM tegenover de gemotiveerde betwisting door werknemer onvoldoende onderbouwd. Voorts is niet gebleken dat BAM werknemer voorrang heeft gegeven bij vacatures. Dat (slechts) gesteld wordt dat bij gelijke geschiktheid werknemer voorrang krijgt (brief van 2 mei 2016 van BAM aan werknemer) is in dat verband onvoldoende. Zo heeft werknemer er op gewezen dat O hem op 8 januari 2016 de – kennelijk passende – functie van manager Integrale Projecten heeft voorgesteld, dat hij op 11 januari 2016 heeft aangegeven interesse te hebben in die functie en dat O hem op 4 februari 2016 heeft bericht dat hij niet wordt uitgenodigd voor een gesprek voor die functie. Werknemer heeft meerdere malen aangehaald dat hij met scholing geschikt zou zijn voor een functie. BAM heeft hem evenwel geen scholing aangeboden en ook niet gemotiveerd waarom hem geen scholing wordt aangeboden. Evenmin is een inwerkperiode overwogen. In het licht van hetgeen werknemer heeft aangevoerd en de voorbeelden die hij heeft gegeven, heeft BAM onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoende invulling heeft gegeven aan haar verplichting om te onderzoeken of werknemer in een andere functie, al dan niet na scholing, binnen een redelijke termijn is te herplaatsen. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.