Naar boven ↑

Rechtspraak

Europoort Cargo Inspections V.O.F./X
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 augustus 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:6448

Europoort Cargo Inspections V.O.F./X

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht? Overtreding ronselbeding?

Op 10 december 2011 is tussen Europoort en X een ‘subcontractor overeenkomst’ tot stand gekomen. Europoort is gespecialiseerd in het uitvoeren van brandstofcontroles bij schepen. In de overeenkomst wordt Europoort aangeduid met ‘opdrachtgever’ en X met ‘zelfstandige’. Op 2 mei 2014 heeft de partner van X een bv opgericht met als bedrijfsactiviteit ‘het controleren van brandstoffen van schepen’. Op 29 juli 2014 heeft X aan Europoort bericht dat hij zijn werkzaamheden voor Europoort per 31 juli 2014 zal staken. Thans vordert Europoort een verklaring voor recht dat X het in artikel 10 van de subcontractorovereenkomst opgenomen non-concurrentie- en relatiebeding heeft overtreden door het direct of indirect (doen) benaderen van haar werknemers. Tevens vordert Europoort betaling van verbeurde boetes ad € 45.000. X voert gemotiveerd verweer. X vordert – voor het geval zou mogen blijken dat er sprake is van overtreding – matiging van het concurrentie- en het relatiebeding.

De rechtbank oordeelt als volgt. De eerste vraag die ter beoordeling voorligt is of de overeenkomst, zoals Europoort stelt en door X gemotiveerd is betwist, stilzwijgend is voortgezet onder dezelfde voorwaarden. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De overeenkomst bevat termen (dienstbetrekking, arbeidsovereenkomst), en bepalingen met betrekking tot een proeftijd en een leaseauto, die de associatie met een arbeidsovereenkomst oproepen. Uit de gehele tekst van de overeenkomst blijkt echter dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk de bedoeling hadden om een overeenkomst van opdracht aan te gaan. De uitvoering van de overeenkomst is met die bedoeling in overeenstemming geweest. X handelde als zzp’er/eenmanszaak ‘C en V werken Middelharnis’, beschikte over een VAR-verklaring en zijn eenmanszaak factureerde de werkzaamheden bij Europoort. Dat betekent dat het arbeidsovereenkomstenrecht niet van toepassing is en van een stilzwijgende verlenging in de zin van artikel 7:668 BW geen sprake is. De overeenkomst is aangegaan voor 12 maanden eindigend op 22 december 2012 (art. 1.2 van de overeenkomst). Vast staat echter dat X nadien dezelfde werkzaamheden is blijven uitvoeren voor Europoort onder dezelfde voorwaarden. Gesteld noch gebleken is dat partijen andere afspraken hebben gemaakt over de voortzetting van de overeenkomst na 22 december 2012. Indien X niet meer gebonden wilde zijn aan het concurrentiebeding, zoals door hem is gesteld, had het op zijn weg gelegen dit aan de orde te stellen. Vast staat echter dat hier tussen partijen niet over gesproken is. Feitelijk hebben partijen de overeenkomst stilzwijgend voortgezet op dezelfde condities. Dat betekent dat X gebonden is aan artikel 10 van de overeenkomst. Vervolgens komt de vraag aan de orde of X het ronselbeding (art. 10.3 van de overeenkomst) heeft overtreden. Ongeacht de vraag wie er wie heeft benaderd, de verklaringen lopen op dat punt uiteen, in beide gevallen had X de heer A en de heer B, die op dat moment werknemers van Europoort waren, te verstaan moeten geven dat hij hen niets kon zeggen over zijn werk bij de bv, laat staan hen op dat gebied iets te bieden te hebben, omdat hij was gebonden aan de afspraak met Europoort om geen werknemers van hen te benaderen en/of te bewegen elders in dienst te treden. Door dit na te laten en de heren over zijn werk te informeren heeft X het ronselbeding overtreden. Daarmee is hij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en aldus gehouden de daaruit voortvloeiende schade aan Europoort te vergoeden. Europoort maakt echter geen aanspraak op schadevergoeding maar op de in artikel 10.4 overeengekomen boete van € 22.500 per overtreding. Het boetebeding omvat één bedrag (€ 22.500) voor vele, mogelijk sterk uiteenlopende tekortkomingen. De Hoge Raad (HR 13 februari 1998, NJ 1998/725) heeft overwogen dat in dat geval voor de hand ligt dat in beginsel de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik maakt om te differentiëren naar gelang van de ernst van de tekortkoming en van de schade die daardoor is veroorzaakt. De rechtbank ziet in casu aanleiding de boete te matigen tot € 10.000. De slotsom is dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen en de gevorderde boetes tot een bedrag van € 10.000.