Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV/werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 16 augustus 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:3684

UWV/werknemer

Uitleg anticumulatieoverweging. Cumulatie ontslagvergoeding en bovenwettelijke uitkering op grond van een regeling bij de geldende cao.

Werknemer was van 1993 t/m 2007 werkzaam bij (een rechtsvoorganger van) het UWV. Bij beschikking van 27 augustus 2007 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden, met veroordeling van het UWV tot betaling van een billijke vergoeding aan werknemer van € 80.000. De kantonrechter heeft daarbij bepaald dat de toegekende vergoeding strekt tot suppletie op de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, maar dat de vergoeding niet kan cumuleren met het bovenwettelijk deel van de Regeling bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid Arbeidsvoorziening (hierna: de regeling). Partijen hebben een verschillende uitleg gegeven aan deze ‘anticumulatieoverweging’. Werknemer vordert onder meer dat het UWV zal worden veroordeeld om vanaf 1 april 2013 tot 1 juli 2025 de uitkeringen op grond van hoofdstuk 3 van de regeling ter hoogte van 70% van het door het UWV vast te stellen dagloon te betalen. In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter geoordeeld dat de toegekende ontbindingsvergoeding dient ter suppletie op de WW-uitkering voor een zodanige termijn als waarvoor deze vergoeding als suppletie toereikend is en dat na ommekomst van die termijn werknemer in beginsel recht heeft op de vooralsnog opgeschorte bovenwettelijke uitkering op grond van de regeling. Tegen dit vonnis komt het UWV in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Het UWV heeft terecht opgemerkt dat toepassing van de zienswijze van de kantonrechter zoals neergelegd in het dictum van het vonnis waarvan beroep ertoe leidt dat het UWV meer zou moeten gaan betalen dan door werknemer was gevorderd. Hierdoor worden de grenzen van de rechtsstrijd overschreden. Het geschil wordt daarom in zijn volle omvang opnieuw beoordeeld. Allereerst wordt ingegaan op de ingangsdatum van de betalingsverplichting op grond van de regeling. De discussie omtrent dit punt vindt zijn oorsprong in een verschil van mening omtrent hetgeen op grond van de ontbindingsbeschikking met de ontslagvergoeding moet worden opgesoupeerd. Bij de beoordeling van het met de anticumulatieoverweging beoogde doel wordt in acht genomen dat de ontslagvergoeding dient om een voorziening te treffen ter ondervanging van de gevolgen van het verlies van loon. Gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in het dictum naar een aanvulling tot 100% van het laatstgenoten loon, kan geen twijfel bestaan omtrent het doel van de toegekende ontslagvergoeding. Wanneer het ‘opsouperen’ enkel zou gelden ten bate van de bovenwettelijke uitkering, dan zou dat feitelijk tot gevolg hebben dat het langer duurt voordat werknemer die uitkering ontvangt dan wanneer het ‘opsouperen’ geldt voor de som van de bovenwettelijke uitkering en het gedeelte aan inkomensverlies dat niet gedekt wordt door de WW-uitkering. Aan de beschikking valt geen aanknopingspunt te ontlenen voor een oordeel dat de anticumulatieoverweging met zich brengt dat de ontslagvergoeding slechts opgesoupeerd moet worden aan de bovenwettelijke uitkering, zonder daarbij ook het inkomensverlies te betrekken dat niet door (boven)wettelijke uitkeringen wordt gedekt. De bovenwettelijke uitkering dient te worden betaald nadat de ontslagvergoeding is gebruikt om het volledige verschil te overbruggen tussen de wettelijke uitkering en het laatstverdiende loon. Het UWV heeft niet weersproken dat in dat geval de aanspraak op uitbetaling van de bovenwettelijke uitkering aanvangt op 1 april 2013. De aanvangsdatum van de betalingsverplichting op grond van de regeling wordt dan ook vastgesteld op die datum. Ten aanzien van de omvang van de verschuldigde bovenwettelijke uitkering verschillen partijen eveneens van mening. Het hof is, anders dan de kantonrechter in het bestreden vonnis, van oordeel dat uit de anticumulatieoverweging niet valt af te leiden dat het de bedoeling van de kantonrechter is geweest om een aanspraak op de bovenwettelijke uitkering op te schorten. De anticumulatieoverweging vermeldt slechts dat de toegekende vergoeding niet kan cumuleren met het bovenwettelijk deel van de regeling. Wanneer zou worden aangenomen dat de aanspraak op de bovenwettelijke uitkering is opgeschort, zodat die vanaf maand 1 ontstaat na het opsouperen van de ontslagvergoeding, dan betekent dat dat werknemer gedurende de eerste vijf jaar na het opsouperen van zijn ontslagvergoeding een hogere bovenwettelijke uitkering ontvangt dan hij zou hebben gekregen wanneer hem geen ontslagvergoeding zou zijn toegekend. Een dergelijke uitkomst is in strijd met de anticumulatieoverweging in de beschikking van 27 augustus 2007. Aangenomen moet daarom worden dat de anticumulatieoverweging niet tot gevolg heeft gehad dat de aanspraak op de bovenwettelijke uitkering werd opgeschort, maar dat daarmee is bedoeld dat de ontbindingsvergoeding in de plaats zou komen van de bovenwettelijke vergoeding. De omvang van de bovenwettelijke uitkering moet daarom worden berekend met inachtneming van de datum van ontslag en niet met inachtneming van de datum waarop de ontslagvergoeding is opgesoupeerd.