Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 25 augustus 2016
ECLI:NL:RBOBR:2016:4887
werknemer/werkgeefster
Werknemer is sinds 1999 in dienst in de functie van eerste monteur/magazijnmedewerker/keurmeester. Werkgeefster heeft het UWV op 2 november 2015 gevraagd om een verklaring dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de Overbruggingsregeling transitievergoeding. Werkgeefster heeft op 10 november 2015 wegens bedrijfseconomische redenen bij het UWV een ontslagvergunning gevraagd voor werknemer. De ontslagaanvraag was gebaseerd op bedrijfseconomische redenen. Bij beslissing van 3 december 2015 heeft het UWV verklaard dat werkgeefster niet aan de voorwaarde van artikel 24 lid 2 onderdeel a Ontslagregeling voldoet, zodat de Overbruggingsregeling niet op haar van toepassing is. Werkgeefster heeft een transitievergoeding van € 2.308,19 bruto betaald, berekend volgens de Overbruggingsregeling. Werknemer verzoekt werkgeefster te veroordelen tot betaling van de (resterende) transitievergoeding van € 15.926,53 bruto als bedoeld in artikel 7:673 lid 2 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het wettelijk kader ligt besloten in de Overbruggingsregeling (art. 7:673d BW in verbinding met de cumulatieve voorwaarden neergelegd in art. 24 van de Ontslagregeling). Met deze regeling wordt voorzien in een overgangssituatie voor kleine werkgevers die met de invoering van de transitievergoeding in artikel 7:673 BW bij een ontslagprocedure via het UWV sinds de invoering van de WWZ een vergoeding verschuldigd zijn aan de werknemer, daar waar dat voorheen niet het geval was. Op grond van artikel 24 lid 2 Ontslagregeling is een van de voorwaarden dat het nettoresultaat van de onderneming van de werkgever over het boekjaar, bedoeld in het derde lid, en de twee daaraan voorafgaande boekjaren kleiner is geweest dan nul. In de parlementaire geschiedenis van artikel 7:673d BW noch in die van de Overbruggingsregeling zijn aanknopingspunten te vinden op welke wijze het resultaat van de drie voorliggende boekjaren moet worden beoordeeld. Over elk jaar afzonderlijk (de visie van werknemer) dan wel over de drie jaren gemiddeld (de visie van werkgeefster). De kantonrechter gaat ervan uit dat in beginsel het gemiddelde van de drie voorafgaande boekjaren van belang is om te bepalen of de werkgeefster voldoet aan de gestelde voorwaarden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het doel van deze regeling is om de kleine werkgever met wie het in bedrijfseconomisch opzicht slecht gaat en die om die reden verzoekt de arbeidsovereenkomst met een werknemer te beëindigen, ter zake de verschuldigde transitievergoeding te ontzien. Uit de door werkgeefster overgelegde stukken blijkt dat het nettoresultaat over de drie voorafgaande jaren gemiddeld genomen negatief is geweest. Tevens speelt een rol dat tussen partijen niet in geschil is dat het (bescheiden) positieve nettoresultaat van boekjaar 2013 kan worden toegeschreven aan de uitkering van schadepenningen die Interpolis heeft uitgekeerd voor een schade die in 2012 is ontstaan. Tegenover die schade-uitkering staat een herbouwplicht. Zonder die schade-uitkering zou werkgeefster in 2013, net als in 2014 en 2015, een negatief resultaat hebben behaald. De Overbruggingsregeling is van toepassing. Het verzoek van werknemer tot toekenning van de (resterende) wettelijke transitievergoeding ex artikel 7:673 BW wordt afgewezen.