Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 19 augustus 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:6724
werkgever/werknemer
Werknemer is op 4 november 2004 in dienst getreden bij AVS. Zijn laatste functie was General Manager. AVS heeft werknemer bij brief van 22 april 2016 op staande voet ontslagen. In een naast de voorliggende zaak lopende zaak verzoekt werknemer om vernietiging van het hem door AVS gegeven ontslag op staande voet en verzoekt hij voor recht te verklaren dat AVS gebonden is aan de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016. In bovengenoemde zaak zijn bij beschikking van 19 augustus 2016 de verzoeken van werknemer toegewezen. In de onderhavige procedure verzoekt AVS voorwaardelijke ontbinding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De uitspraak in de bovengenoemde procedure heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op 22 april 2016 is geëindigd met het ontslag op staande voet dat AVS op die dag aan werknemer gaf, maar per 1 juni 2016 op grond van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016. Op dit moment bestaat er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen. Voor ontbinding daarvan op welke grond dan ook onder toekenning van een vergoeding aan werknemer onder welke benaming dan ook, bestaat op dit moment dan ook geen aanleiding. Dit wordt alleen anders indien hoger beroep wordt ingesteld in de andere zaak en het gerechtshof het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de opzegging in stand laat maar – anders dan de kantonrechter – oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 niet in stand gelaten kan worden. Alleen in dat geval bestaat er dan nog een arbeidsovereenkomst waarvan beide partijen in deze procedure de voorwaardelijke ontbinding kunnen verzoeken. Echter, gezien het op 23 februari 2016 gewezen arrest van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:435), met name gelet op rechtsoverweging 16, moet het er thans voor gehouden worden dat het hof de arbeidsovereenkomst niet op een in het verleden liggend tijdstip kan doen eindigen (art. 7:863 lid 6 BW). Dat zou tot gevolg hebben dat AVS in beginsel gehouden is het loon aan werknemer door te betalen tot aan het door het hof te bepalen toekomstig einde van de arbeidsovereenkomst. Het belang van AVS bij een dergelijke uitkomst is niet evident. Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Om die reden verzoekt de kantonrechter beide partijen, nu bekend zijnde met de uitkomst in de andere procedure, zich bij akte uit te laten omtrent het belang die zij bij hun verzoeken in deze procedure nog menen te hebben.