Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 september 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:7322

werkneemster/werkgeefster

Werkgeefster dient bedrag aan openstaande vakantiedagen aan werkneemster uit te keren. Transitievergoeding verschuldigd. Nettoresultaat in drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin het verzoek om toestemming bij het UWV is ingediend, is kleiner dan nul. Beroep werkgeefster op artikel 7:673d BW slaagt.

Werkneemster is op 7 februari 1994 in dienst getreden bij werkgeefster. Op 29 juni 2015 is het personeel van werkgeefster ervan op de hoogte gebracht dat de exploitatie van de winkel (een drogisterij en parfumerie) niet langer rendabel was en dat de winkel zou worden gesloten. Vanaf 1 augustus 2015 heeft werkneemster niet meer gewerkt. Op 19 februari 2016 heeft het UWV toestemming gegeven de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen wegens bedrijfsbeëindiging. De arbeidsovereenkomst is bij brief van 24 februari 2016 opgezegd. Werkneemster verzoekt werkgeefster te veroordelen aan haar te betalen een bedrag aan openstaande niet-genoten vakantiedagen en de transitievergoeding.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 1 juli 2016. Werkneemster heeft in de periode van 1 augustus 2015 tot 1 juli 2016 voor de volledig overeengekomen arbeidsduur van 20,4 uur per week recht op loon gehad. Het loon is ook uitbetaald. Op de voet van artikel 7:634 lid 1 BW heeft zij in die periode tevens aanspraak op vakantie gehouden en verworven. Werkgeefster voert aan dat bij de bijeenkomst met het personeel op 29 juni 2015 is afgesproken dat niet-gewerkte dagen na 1 augustus 2015 in mindering zouden strekken op de opgebouwde en op te bouwen vakantiedagen. Echter, als dit al zo is medegedeeld tijdens de bijeenkomst, hetgeen niet vaststaat, dan kan uit de omstandigheid dat er niet tegen geprotesteerd is nog niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van instemming met het voorstel door de medewerkers. Zonder nadere onderbouwing door middel van een ondubbelzinnige verklaring van werkneemster zelf waaruit blijkt van instemming met voormelde wijze van omgaan met de vakantiedagen, welke ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat hiermee is ingestemd. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen.

Niet is in geschil dat werkgeefster een transitievergoeding verschuldigd is aan werkneemster. Het geschil draait om de hoogte van die vergoeding. Werkneemster stelt dat de transitievergoeding € 10.873 bruto bedraagt. Werkgeefster voert met een beroep op artikel 7:673d BW aan dat deze vergoeding het inmiddels aan werkneemster betaalde bedrag van € 1.009,02 bruto betreft. Het partijdebat over artikel 7:673d BW spitst zich toe op de vraag of het nettoresultaat van werkgeefster over de drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin het verzoek om toestemming bij het UWV is ingediend kleiner is geweest dan nul. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het nettoresultaat in 2013 kleiner is geweest dan nul, want niet in geschil is dat dat het geval is geweest in de boekjaren 2014 en 2015. Voor de vaststelling of het nettoresultaat in een boekjaar kleiner is dan nul, mag rekening gehouden worden met een bedrag van € 44.000 per eigenaar, indien in het boekjaar aan de eigenaar van de onderneming geen loon is toegekend. Dat er aan de drie eigenaars van werkgeefster loon is uitbetaald in 2013 blijkt niet uit de balans en verlies-en-winstrekening over dat jaar en de bijhorende financiële stukken die werkgeefster in het geding heeft gebracht. Wel blijkt daaruit dat er in 2013 door de drie vennoten privéonttrekkingen zijn gedaan ten laste van het vermogen van de onderneming, maar dat is niet hetzelfde als uitbetaling van loon aan hen. Het betreft voorschotten op het uiteindelijk te verdelen resultaat in dat jaar. Dat resultaat bedroeg € 85.927. Als daarop € 132.000 (drie maal € 44.000) in mindering wordt gebracht, resteert een negatief bedrag. Het nettoresultaat van werkgeefster is over het boekjaar 2013 dan ook kleiner geweest dan nul. Gelet op het vorenstaande voldoet werkgeefster dus aan alle voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 7:673d BW. Tegen de hoogte van het op grond daarvan vastgestelde bedrag van € 1.009,02 bruto aan transitievergoeding heeft werkneemster geen bezwaar gemaakt. Erkend is dat dit bedrag aan haar is uitbetaald. Daarom komt geen bedrag aan transitievergoeding voor vergoeding in aanmerking. Het deel van het verzoek dat hierop ziet wordt afgewezen. Gelet op de omstandigheid dat gedurende lange tijd loon is uitbetaald aan werkneemster, terwijl daar van haar kant geen prestatie tegenover heeft gestaan, alsmede gezien de precaire financiële situatie van werkgeefster wordt er reden gezien om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.