Rechtspraak
werkneemster/Stichting Arbeidsloket
Bij brief van 7 juni 2016 heeft de gemachtigde van De Stichting aan de griffier van de rechtbank verzocht om aanvulling van het tussen partijen gewezen vonnis van 24 mei 2016 (zie AR 2016-0986), in die zin dat de in rechtsoverweging 5.1 toegewezen vergoeding wordt aangevuld met de vermelding dat dit bedrag bruto betaald moet worden. Bij brief d.d. 9 juni 2016 heeft de gemachtigde van werkneemster namens deze aangegeven niet in te stemmen met de verzochte aanvulling, stellende dat geen sprake is van een verzuim om te beslissen over een onderdeel van het gevorderde in de zin van artikel 23 Rv, nu een schadevergoeding is gevorderd en toegewezen. Bij brief van 14 juni 2016 heeft de griffier partijen namens de kantonrechter bericht dat het bij vonnis van 24 mei 2016 aan werkneemster toegewezen bedrag een brutobedrag betrof. Ook is in deze brief aangegeven dat dit op verzoek in een beslissing kan worden vastgelegd. Bij brief van 17 juni 2016 is namens werkneemster om een uitspraak gevraagd.
De kantonrechter stelt vast dat bij vonnis van 24 mei 2016 aan werkneemster ten laste van De Stichting is toegewezen een schadevergoeding ex artikel 7:681 BW van € 15.000. Gelet op de wijze waarop de schadevergoeding is berekend, kan er geen twijfel over bestaan dat daarmee een brutobedrag is bedoeld. Waar ook de gevorderde schadevergoeding is berekend op basis van de ‘oude kantonrechtersformule’ wordt ervan uitgegaan dat veroordeling van een brutobedrag is gevorderd. Aldus is verzuimd om op dit onderdeel van de vordering expliciet te beslissen en wordt dit alsnog gedaan in de zin zoals hiervoor aangegeven.