Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 6 september 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:4508
werkneemster/De Rue Financieel Maatwerk BV
Werkneemster is in de periode tussen 1 februari 2011 en 1 december 2015 als administratief medewerkster bij De Rue in dienst geweest. In de arbeidsovereenkomst (nul uren) stond onder meer het volgende opgenomen: ‘ARTIKEL 5: VAKANTIE. Werknemer heeft het recht op 0 vakantie- en verlofdagen per kalenderjaar.’ Werkneemster vordert veroordeling van De Rue om aan haar te betalen een bedrag van bruto € 2.569,38 vanwege nabetaling loon en de wettelijke verhoging daarover, alsmede de wettelijke rente over beide bedragen. Verder vordert zij veroordeling van De Rue tot afgifte van een deugdelijke bruto/nettospecificatie. De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft gesteld dat haar vordering een loonvordering betreft die betrekking heeft op de perioden in de jaren 2011, 2012, 2013 en 2015, waarin zij vakantie heeft genoten, maar van De Rue geen loon heeft ontvangen. Op grond van artikel 7:634 BW en 7:645 BW moet worden geoordeeld dat artikel 5 van de arbeidsovereenkomst, inhoudende dat werkneemster geen vakantie opbouwde, in strijd is met de wettelijke regeling. Werkneemster moet dan ook geacht worden gedurende het dienstverband vakantie(uren) te hebben opgebouwd. Uit de stellingen van partijen valt af te leiden dat werkneemster niet haar vakantiewensen aan De Rue heeft kenbaar gemaakt, op de wijze zoals is omschreven in artikel 7:638 lid 2 BW. De Rue heeft daarbij gesteld dat de verhouding tussen werkgever en werkneemster was gebaseerd op wederzijdse vrijblijvendheid en flexibiliteit. Werkneemster kon volgens De Rue komen en gaan wanneer ze wilde, zette enkel in de agenda wanneer ze aanwezig was en werkte de ene maand soms nauwelijks of niet, en een volgende maand weer meer. De te beantwoorden vraag is, uitgaande van de hiervoor omschreven feitelijke verhouding, in hoeverre perioden waarin werkneemster niet heeft gewerkt als vakantie in de zin van de wettelijke regeling, waarbij er sprake was van vrijstelling van arbeid onder het recht op doorbetaling van loon, moeten worden aangemerkt. Bij de invulling van de arbeidsverhouding tussen partijen, waarbij klaarblijkelijk langere perioden van niet-werken niet ongebruikelijk waren, ligt het aanmerken van een dergelijke periode als formele vakantie niet zonder meer voor de hand. Tevens blijkt uit hetgeen door werkneemster is gesteld ook dat zij geen vakantievoorstel als bedoeld in artikel 7:638 BW heeft gedaan als zij ‘op vakantie ging’. Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat werkneemster in de door haar genoemde jaren vakantie heeft opgenomen zoals is bedoeld in de artikelen 7:634 e.v. BW. Zij kent nu eenzijdig en achteraf opgebouwde vakantierechten toe aan perioden waarin zij niet heeft gewerkt, maar dat verdraagt zich niet met de wettelijke regeling. Verder is komen vast te staan dat werkneemster in de perioden waarover zij nu nog loon vordert niet heeft gewerkt, zodat zij op grond daarvan geen loonaanspraak over deze perioden heeft. Dit alles leidt tot het oordeel dat er voor haar loonvordering geen grondslag is. De vorderingen worden afgewezen.