Rechtspraak
X B.V./werknemer
Tijdens het plaatsen van een hoekplank in een damwand is werknemer geraakt door van de hoekplank vallende stenen en/of bevroren modder. Werknemer heeft hierdoor schade geleden. Werknemer en werkgever zijn het niet eens over de toedracht van het ongeval. In deze zaak heeft het hof op 28 juli 2015 een tussenarrest uitgesproken, zie tevens ECLI:NL:GHAMS:2015:3075. Bij het tussenarrest is wrkgever toegelaten tot nader bewijs van haar stelling dat het intrillen van de damwandplank eerst is begonnen nadat werknemer zich van die damwandplank had verwijderd en dat hij tijdens het trillen weer is teruggelopen. Ingevolge het tussenarrest heeft werkgever op 11 januari 2016 twee getuigen doen horen, waarna werknemer op 15 maart 2016 zichzelf als getuige heeft doen horen.
Het hof oordeelt als volgt. De verklaringen van de getuigen A en C komen in het geheel niet met elkaar overeen voor wat betreft de toedracht van het ongeval. C, wiens aanwezigheid bij het incident overigens door werknemer wordt betwist, heeft niets verklaard over een verlopende hoekplank, terwijl dat nu juist in de verklaringen van A én werknemer wezenlijk is voor de verdere toedracht van het ongeval. Het hof zal deze verklaring van C, die overigens ook eerst vier jaar na het gebeuren en zonder dat daarvan ooit melding was gemaakt en aldus toch min of meer uit het niets is opgedoken, daarom terzijde leggen. Tegenover de verklaring van A staat de verklaring van werknemer, die heeft verklaard dat nadat bleek dat de hoekplank alle kanten opging (daarover zijn A en werknemer het eens), een nieuwe poging moest worden ondernomen om die plank op een juiste wijze in het geheel van de damwand te plaatsen. Werknemer heeft daarbij gedetailleerd verteld dat de betreffende hoekplank eerst in zijn geheel uit de grond is getrokken, dat de plank los in de strop hing, dat hij met zijn hand de plank in de juiste stand heeft gebracht, maar dat direct daarna en voordat hij kon weglopen het (aan)trillen weer is begonnen. Het hof acht die verklaring meer redengevend voor de toedracht van het ongeval dan die van A. Niet alleen is dit de gebruikelijke werkwijze bij het plaatsen van een (hoek)plank gezien de rolverdeling tussen heier en heibaas. Doorslaggevend is echter dat het trachten in te grijpen in een situatie dat zulks nog enige zin heeft (lees: het handmatig stellen van die plank) begrijpelijker moet worden geacht dan het zonder meer toelopen op een deels weer in de grond ingetrilde hoekplank waarbij handkracht als corrigerende factor geen enkele rol meer kon spelen, dit terwijl werknemer bovendien alleszins op de hoogte was van het gevaar om zich te begeven in de directe omgeving van een werkende trilmachine. De conclusie dient te zijn dat A de door werknemer gestelde toedracht niet heeft kunnen ontkrachten en dat gezien die toedracht de aansprakelijkheid van werkgever moet worden aangenomen.
Grief 6 ziet op het oordeel van de kantonrechter dat werknemer sinds het ongeval volledig arbeidsongeschikt is, dat hij pijn en leed heeft ondervonden en dat daarom de gevorderde verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is voor de door werknemer geleden en nog te lijden schade zal worden gegeven. De grief slaagt niet. Vast staat dat er een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden en dat sedertdien werknemer arbeidsongeschikt is. Daarmee is de enkele mogelijkheid gegeven dat er een relatie bestaat tussen deze arbeidsongeschiktheid en dat ongeval en in die zin is werkgever ook aansprakelijk voor de daaruit voor werknemer (mogelijk) voortvloeiende schade. Een verdere strekking heeft die verklaring voor recht ook niet, meer in het bijzonder beantwoordt deze niet de vraag wat de omvang van die eventuele schade is. Daartoe is de schadestaatprocedure geëigend die volgt op deze procedure. De slotsom luidt dat alle grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.