Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 juli 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:5265
werknemers/Transcore Rotterdam B.V.
Transcore is een uitzendbureau voor havenwerkers. Werknemers zijn in dienst bij Transcore in de functie van Operationeel Medewerkers (‘sjorder’ genoemd) en werken bij inlener Matrans Marine Services B.V. (hierna: Matrans). Op de uitzendovereenkomst is de ABU-CAO voor uitzendkrachten van toepassing. Bij Matrans gold van 2006-2009 de sjor-cao en van 2009-2012 de Matrans-cao. Werknemers hebben gevorderd negen verklaringen voor recht, kort en wel inhoudende toepassing van de arbeidsvoorwaarden zoals bij Matrans gebruikelijk en tijdige bekendmaking van hun roosters. Daarnaast vorderen zij onder meer dat bij overtreding van artikel 4:2 Arbeidstijdenwet, Transcore wel loon is verschuldigd voor de niet-gewerkte tijd. Transcore voert verweer.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen strijden in de eerste plaats over de vraag of de regeling van de inlenersbeloning (ABU-CAO) op werknemers van toepassing is. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat binnen Matrans op z’n minst gelijkwaardige functies als die van operationeel medewerker bestaan, dit betekent dat de regeling van de inlenersbeloning op werknemers van toepassing is. De volgende vraag die zich aandient, is of Transcore in overeenstemming met die regeling werknemers beloont. Vastgesteld moet worden dat de voor werknemers toepasselijke hoogte van de inlenersbeloning is gebaseerd op de (oude) tabel van artikel B6 van de sjor-cao. Dat Transcore hieraan niet zou hebben voldaan, is gesteld noch gebleken. Een ander onderdeel dat door werknemers ter discussie is gesteld, betreft de arbeidsduurverkorting en de toeslagen. Door werknemers is (primair) aangevoerd dat zij zich op grond van hun arbeidsovereenkomsten 24/7 beschikbaar moeten houden en dat dat volgens de sjor-cao en de Matrans-cao overeenkomt met een vijfploegendienst. Door de kantonrechter wordt overwogen dat de enkele omstandigheid dat de dagen en tijdstippen waarop werknemers volgens hun uitzendovereenkomsten te werk kunnen worden gesteld, passen binnen het kader van een vijfploegendienst, onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat daarvan ook feitelijk sprake is. Werknemers stellen verder dat de regeling van de inlenersbeloning meebrengt dat ook bij arbeidsongeschiktheid de sjor-cao en Matrans-cao moet worden gevolgd. Niet valt in te zien dat en in hoeverre betaling bij arbeidsongeschiktheid moet worden begrepen onder in de ABU-CAO vastgelegde definitie van inlenersbeloning. Werknemers maken, ten slotte, onder verwijzing naar de toepasselijkheid van de inlenersbeloningsregeling aanspraak op een hogere kilometervergoeding, belgeld, een telefoonvergoeding, een maandelijkse vergoeding als zij inzetbaar zijn op alle terminals en overige werkgebieden en een ongemakkentoeslag per gewerkte dag (op grond van art. 33 Matrans-cao). De kilometervergoeding is niet toewijsbaar. Nu voor het overige niet is weesproken dat werknemers recht hebben op belgeld en toeslagen als genoemd in artikel 33 Matrans-cao en zij een en ander in voldoende mate hebben onderbouwd, zullen de daarop gerichte vorderingen worden toegewezen. Werknemers stellen dat Transcore artikel 4:2 lid 3 ATW overtreedt en dat zij daarom onrechtmatig loon en vakantie-uren bij werknemers hebben ingehouden. Indien geen collectieve regeling van toepassing is of een bestaande collectieve regeling niet in een mededelingstermijn voorziet, kan deze met de betrokken werknemer worden overeengekomen. Pas als dat er niet is, geldt de vangnetregeling van artikel 4:2 leden 2 en 3 ATW, waarin onder andere staat dat de werkgever de werknemer 28 dagen tevoren moet informeren. Werknemers kunnen hun beschikbaarheid zelf bepalen en hebben grote vrijheid ten aanzien van de wijze van invulling van hun diensten, onder de voorwaarde dat zij zich ten minste 31 uur per week beschikbaar stellen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van de gestelde overtredingen van de ATW, zodat de daarop gerichte vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen. Tot slot hebben werknemers met een beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW gevorderd voor recht te verklaren dat hun normale werkweek primair, in het geval van een vijfploegendienst, 32,55 uur dan wel subsidiair 38,75 uur bedraagt. Voor zover werknemers zich op het standpunt stellen dat de met hun overeengekomen arbeidsduur van minimaal 31 en maximaal 38,75 uur per week niet als eenduidig kan worden aangemerkt, kunnen zij daarin niet zonder meer worden gevolgd. De volgende vraag is of zich een situatie voordoet waarin de feitelijke arbeidsomvang van werknemers structureel hoger ligt dan de overeengekomen arbeidsduur. Door geen concrete referentieperiode aan te dragen, hebben werknemers naar het oordeel van de kantonrechter in onvoldoende mate voldaan aan hun stelplicht, waardoor aan eventuele bewijslevering niet wordt toegekomen.