Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 1 november 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:3264
Stichting voor Protestants Christelijk Onderwijs/werknemer
PCOK heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer per 1 november 2015 opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Werknemer heeft de kantonrechter met succes verzocht aan hem ten laste van PCOK de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW toe te kennen ad € 22.270,51. PCOK betoogt in hoger beroep dat de kantonrechter ten onrechte de periode van ambtelijke aanstelling bij een voorgaande werkgever heeft meegenomen in de berekening van de transitievergoeding. Voorts betoogt PCOK dat de aan werknemer toekomende AAOP-uitkering en de IPAP-uitkering een voorziening in de zin van artikel XXII lid 7 WWZ is.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft onweersproken gesteld dat hij steeds dezelfde werkzaamheden heeft verricht en dat hij, nadat zijn aanstelling bij de gemeente Katwijk was beëindigd, zonder enige onderbreking als […] werkzaam is gebleven bij de rechtsvoorgangster van PCOK, waar hij voorheen ook al werkzaam was uit hoofde van zijn ambtelijke aanstelling bij de gemeente Katwijk. Het hof is van oordeel dat PCOK ten aanzien van de door werknemer verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet worden opvolgend werkgever te zijn in de zin van artikel 7:673 lid 4 onderdeel b BW. Dat werknemer een ambtelijke aanstelling had bij de gemeente Katwijk staat niet in de weg aan het aannemen van opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:673 lid 4 onderdeel b BW. Dit betekent dat de periode van ambtelijke aanstelling meetelt voor de berekening van de hoogte van een eventuele transitievergoeding. Partijen zijn het erover eens dat de transitievergoeding € 22.270,51 bruto bedraagt indien de periode van ambtelijke aanstelling wordt meegeteld.
Artikel XXII lid 7 van de WWZ bevat een uitzondering op de transitievergoedingsverplichting, die inhoudt dat indien de werknemer wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding of voorziening op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en de werknemer of verenigingen van werknemers voor het tijdstip van inwerkingtreding van de WWZ gemaakte afspraken, de transitievergoeding in bepaalde gevallen niet verschuldigd is. Dit is nader uitgewerkt in het Besluit overgangsrecht transitievergoeding (hierna: het besluit), zoals dat gold tot 1 juli 2016. Artikel 2 van het besluit bepaalt dat indien de werknemer op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers gemaakte afspraken recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII lid 7 WWZ, de transitievergoeding niet verschuldigd is, tenzij overeengekomen is dat de werknemer recht heeft op die vergoeding of voorziening in aanvulling op de transitievergoeding. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de uitkeringen die werknemer ontvangt in verband met zijn arbeidsongeschiktheid – de AAOP-uitkering en de IPAP-uitkering – niet kunnen worden aangemerkt als een vergoeding of voorziening in de zin van artikel XXII lid 7 WWZ. De AAOP-uitkering is een regeling wegens arbeidsongeschiktheid en ziekte, die voortvloeit uit deelname van werknemer aan de pensioenregeling van het ABP. De AAOP-uitkering heeft primair ten doel de nadelige gevolgen van arbeidsongeschiktheid op te vangen en het eventuele verband met het einde van het dienstverband is hooguit indirect. PCOK heeft weliswaar gesteld dat de AAOP-uitkering in de regel slechts tot uitkering komt indien de arbeidsovereenkomst met de arbeidsongeschikte werknemer is beëindigd, maar PCOK heeft ook erkend dat een IVA-gerechtigde recht kan hebben op de AAOP-uitkering zonder dat het dienstverband is geëindigd. Uit het aanvraagformulier van het ABP, waarnaar PCOK heeft verwezen, blijkt evenmin dat slechts recht bestaat op de AAOP-uitkering indien de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vergoeding of regeling wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de zin van de overgangsregeling. Evenmin kan een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van een pensioenregeling worden aangemerkt als een ‘vergoeding of voorziening op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en de werknemer of verenigingen van werknemers voor het tijdstip van inwerkingtreding van de WWZ gemaakte afspraken’. Dat de verplichte deelname aan de pensioenregeling voortvloeit uit de cao maakt dit niet anders. Werknemer heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de cao-partijen (de verenigingen van werkgevers en werknemers in de zin van art. XXII lid 7 WWZ) geen invloed hebben op de inhoud van de pensioenregeling. Het hof is dan ook van oordeel dat de AAOP-uitkering geen uitkering is als bedoeld in artikel XXII lid 7 WWZ.
Het hof is echter van oordeel dat de omstandigheid dat PCOK ten tijde van de opzegging is uitgegaan van het recht op een WOPO-uitkering, terwijl na de opzegging is gebleken dat werknemer daar geen recht op had, voor rekening en risico van PCOK als werkgeefster komt. Dit is dan ook geen reden om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat werknemer wel recht heeft op een transitievergoeding.