Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting X Wonen/bestuurder
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 1 november 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:4844

Stichting X Wonen/bestuurder

Gewezen WNT-bestuurder woningcorporatie behoudt contractuele ontslagvergoeding van bijna € 600.000 op grond van overgangsrecht. Beroep stichting op uitleg beding, artikel 6:248 en 6:258 BW faalt.

Werknemer is op 16 februari 1981 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Stichting Wonen. Per 1 april 2001 is hij benoemd tot directeur-bestuurder tegen een loon van laatstelijk € 8.422 (incl. 8% vakantiegeld) bruto per maand. De RvC heeft bij ontslagbesluit d.d. 4 september 2014 werknemer ontslagen per april 2015. Werknemer was toen 57 jaar oud. Bij dit besluit is tevens bepaald dat werknemer vrijgesteld zal zijn van werk gedurende de opzegtermijn en dat aan werknemer niet de overeengekomen ontslagvergoeding (ktr.formule C=2) wordt betaald nu deze in strijd is met de Wet normering topinkomens (hierna: WNT). Werknemer stelt zich op het standpunt dat de contractuele ontslagvergoeding nog onder het overgangsrecht WNT valt, zodat hij recht heeft op € 589.604. De rechtbank heeft de vordering van werknemer toegewezen. In hoger beroep stelt de Stichting zich – onder meer – op de volgende standpunten: (a) werknemer heeft de RvC nooit geïnformeerd over de contractuele vertrekregeling en daarmee heeft hij de RvC de kans ontnomen actie te ondernemen en de contractuele vertrekregeling aan te passen; (b) werknemer heeft in weerwil van zijn taakstelling nagelaten de contractuele vertrekregeling aan te passen en in lijn te brengen met de (sectorale) codes en regelgeving, waaronder de Sectorbrede beloningscode Bestuurders Woningcorporaties (één vast jaarsalaris); (c) werknemer heeft de RvC nooit geïnformeerd over de op hem van toepassing zijnde (sectorale) codes en regelgeving, waarmee hij de RvC de kans heeft ontnomen onderzoek te doen naar de situatie bij Stichting Wonen en de contractuele vertrekregeling aan te passen. Ten slotte doet de Stichting een beroep op artikel 6:258 en 6:248 BW.

Het hof oordeelt als volgt. Het verwerpt de grieven van de Stichting voornamelijk omdat ze onvoldoende zijn onderbouwd. Bovendien geldt voor onderdeel b dat de genoemde regelingen adviezen zijn of zagen op nieuwe benoemingen en derhalve werknemer niet raken. Wat het beroep op onvoorziene omstandigheden betreft, ziet het hof niet in dat de WNT als gewijzigde maatschappelijke opvatting via artikel 6:258 BW strengere eisen aan de WNT kan stellen dan het overgangsrecht dat uit deze wet voortvloeit. Voor een beroep op artikel 6:248 BW is onvoldoende aangevoerd om het uitgangspunt van ‘pacta sunt servanda’ aan te tasten.