Naar boven ↑

Rechtspraak

Obvion N.V./werknemer
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 9 november 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:5933

Obvion N.V./werknemer

Afwijzing ontbindingsverzoek, ondanks gebleken disfunctioneren van werknemer. Niet voldaan aan herplaatsingsplicht. Deze strekt zich ingevolge artikel 9 lid 2 Ontslagregeling ook uit tot arbeidsplaatsen in andere tot de groep behorende ondernemingen.

Werknemer is sinds 1 september 2005 als accountmanager in dienst van Obvion N.V. (hierna: Obvion). In de eerste jaren van zijn dienstverband heeft werknemer naar behoren gefunctioneerd. Over 2014 kwam de totaalbeoordeling uit op ‘redelijk’ en de eindbeoordeling over 2015 was ‘slecht’. De samenwerking in het team van accountmanagers verliep moeizaam, omdat zijn bijdrage aan teamtaken gering was en het hem aan zelfkritiek ontbrak. Op 4 februari 2016 is een plan van aanpak ondertekend, waarin verbeterpunten zijn opgenomen. Op 30 juni 2016 deelde Obvion aan werknemer mee dat de verbetering in zijn functioneren onvoldoende was en dat zou worden gestreefd naar een beëindiging van het dienstverband. Na dit gesprek heeft werknemer zich ziek gemeld. Obvion verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van disfunctioneren (d-grond) dan wel vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Herplaatsing is volgens Obvion niet mogelijk, omdat de daarvoor in aanmerking komende functies bij Obvion in Heerlen gesitueerd zijn en werknemer te ver weg woont. Dat Obvion een dochteronderneming van Rabobank is, betekent niet dat zij zomaar werknemers kan herplaatsen bij andere Rabobank-ondernemingen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het opzegverbod tijdens ziekte staat aan toewijzing van het ontbindingsverzoek niet in de weg. De ziekmelding volgde op de ontslagaanzegging van 30 juni 2016 en stond daarmee in zoverre los van de kritiek op zijn functioneren in de jaren ervoor. Ten aanzien van het gestelde disfunctioneren oordeelt de kantonrechter allereerst dat werknemer miskent dat de functie van accountmanager ten gevolge van de kredietcrisis is veranderd en dat vanaf 2012 de kwalitatieve onderdelen van het werk een veel zwaarder gewicht hebben gekregen. De indruk ontstaat dat werknemer niet in staat is geweest de in 2012 ingezette transitie mee te voltrekken. Het is niet geheel duidelijk waarom hem dit niet is gelukt. De kantonrechter kan er echter niet aan voorbij dat uit de terugkerende verslagen blijkt dat Obvion werknemer op onderdelen niet met ‘goed’ heeft beoordeeld. Niet gesteld of gebleken is dat Obvion onvoldoende zorg heeft besteed aan scholing of begeleiding. Voorts heeft Obvion werknemer voldoende tijdig van de kritiek op zijn functioneren op de hoogte gebracht. Dit blijkt uit de achtereenvolgende beoordelingsverslagen. Ook heeft zij hem in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Werknemer heeft echter geen gebruik gemaakt van de aangeboden begeleiding. Obvion heeft ermee kunnen volstaan hem in 2016 nog een laatste kans te geven zich met behulp van begeleiding te verbeteren. Dit gaf Obvion echter onvoldoende vertrouwen dat de beoordeling over het kalenderjaar 2016 op ‘goed’ zou uitkomen. Op grond van het voorgaande is sprake van ongeschiktheid voor de functie. Dat maakt echter nog niet dat het ontbindingsverzoek toewijsbaar is. De kantonrechter oordeelt dat Obvion niet aan haar herplaatsingsplicht heeft voldaan. Obvion heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij geen mogelijkheden heeft om werknemer te doen herplaatsen in een passende functie in een van de andere Rabobank-ondernemingen. Ingevolge artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling moeten in een geval als het onderhavige bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is mede arbeidsplaatsen in andere tot de groep behorende ondernemingen worden betrokken. Obvion heeft dat nagelaten. Evenmin is aannemelijk dat werknemer zich niet heeft willen openstellen voor een herplaatsing buiten de Rabobank-organisatie. Nu aan de herplaatsingsplicht van artikel 7:669 lid 1 BW niet is voldaan wijst de kantonrechter het ontbindingsverzoek af.