Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/IDZ BV
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 20 september 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:2666

werknemer/IDZ BV

Bewijsaanbod. Eindarrest na getuigenbewijs. Werkgever is er niet in geslaagd te bewijzen dat zij met werknemer de vaststellingsovereenkomst heeft besproken.

In deze zaak heeft het hof bij tussenarrest van 22 maart 2016 IDZ BV (hierna: IDZ) toegelaten tot het bewijs dat zij (a) met werknemer een bepaalde vaststellingsovereenkomst heeft besproken en (b) dat werknemer de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft IDZ drie getuigen doen horen.

Het hof oordeelt omtrent het bewijsaanbod als volgt. IDZ is er niet in geslaagd om te bewijzen dat zij met werknemer de vaststellingsovereenkomst heeft besproken. Getuige X heeft ter zitting als getuige verklaard dat hij de discussie tussen IDZ en werknemer niet kon volgen vanwege de taalbarrière en dat getuige Y later aan hem heeft uitgelegd waar het over ging. Getuige Y heeft ter zitting als getuige evenmin een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat IDZ de vaststellingsovereenkomst met werknemer heeft besproken. Het hof constateert dat geen van de getuigen iets heeft verklaard tijdens het getuigenverhoor waaruit blijkt dat de vaststellingsovereenkomst met werknemer is besproken. IDZ is niet als getuige gehoord (ook niet in contra-enquête) en heeft tijdens de comparitie van partijen bij het hof evenmin iets verklaard waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vaststellingsovereenkomst met werknemer is besproken. Voor zover uit de schriftelijke getuigenverklaringen, die bij akte van 8 maart 2014 in de procedure in eerste aanleg in het geding zijn gebracht, zou kunnen worden afgeleid dat IDZ de vaststellingsovereenkomst wel heeft besproken met werknemer, wordt als volgt overwogen. De schriftelijke getuigenverklaringen zijn geen op de voet van de artikelen 164 e.v. RV ten overstaan van de rechter afgelegde verklaringen. Bovendien heeft te gelden dat dezelfde personen die de schriftelijke getuigenverklaringen hebben afgelegd, ter zitting als getuigen zijn gehoord. De inhoud van deze schriftelijke verklaringen is op dit punt op geen enkele manier ter zitting bevestigd, zodat aan deze verklaringen als niet geloofwaardig voorbij wordt gegaan. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat IDZ erin is geslaagd te bewijzen dat zij de vaststellingsovereenkomst heeft besproken met werknemer. In het oordeel van de kantonrechter dat IDZ diende te bewijzen dat zij de vaststellingsovereenkomst met werknemer heeft besproken – waartegen geen appel is ingesteld – ligt besloten dat werknemer niet gebonden is aan een ontslagname indien (de inhoud en de gevolgen van) de vaststellingsovereenkomst niet met hem zijn besproken. Dit is ook in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad, inhoudende dat de werknemer dient te worden behoed voor de gevolgen van vrijwillige beëindiging van het dienstverband door (onder andere) zijn ontslagbescherming (HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387). Aan de vraag of werknemer de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend (onderdeel b van de bewijsopdracht), wordt gelet op het voorgaande niet meer toegekomen. Dit geldt ook voor het (bewijs)aanbod van IDZ om ter zake een handschriftdeskundige in te schakelen. Zelfs al zou IDZ erin slagen te bewijzen dat werknemer de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend, dan heeft te gelden dat werknemer in de gegeven omstandigheden niet gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst, nu IDZ niet heeft bewezen dat deze met hem is besproken.