Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 juli 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:11276
werknemer c.s./Transcore Rotterdam B.V.
Werknemers zijn in dienst bij Transcore Rotterdam B.V. (hierna: Transcore) in de functie van Operationeel Medewerkers (in de regel ‘sjorder’ genoemd). Zij worden vrijwel altijd uitgeleend aan Matrans Marine Services B.V. (hierna: Matrans). Op de uitzendovereenkomst is de ABU-CAO van toepassing. Bij Matrans was met ingang van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2009 de sector-cao voor werknemers in dienst van de sjorbedrijven in het havengebied van Rotterdam (hierna: sjor-cao) van toepassing. Tot de definitieve ondertekening van de sjor-cao waren een aantal afspraken vastgelegd in een onderhandelingsresultaat (hierna: het onderhandelingsresultaat). Vanaf 1 juli 2009 tot en met 30 september 2012 gold de Matrans Marine Services B.V. CAO (hierna: Matrans-cao). Partijen strijden onder meer over de vraag of de regeling van de inlenersbeloning als opgenomen in artikel 19 lid 5 onderdeel b van de ABU-CAO op werknemers van toepassing is en zij op grond daarvan recht hebben op een beloning die gelijk is aan die van de werknemers van Matrans.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat werknemers hebben voldaan aan de voorwaarde dat zij ten minste 26 weken voor Matrans als opdrachtgever hebben gewerkt. In aanmerking wordt genomen dat werknemers de functie van operationeel medewerker uitoefenen en dat Matrans ook werknemers als operationeel medewerker in dienst heeft. Het voorgaande betekent dat de regeling van de inlenersbeloning op werknemers van toepassing is. Werknemers bepleiten in dat kader dat zij vanaf 1 januari 2007 conform loonschaal B1 van de ECT-CAO uit 2000 en vanaf 1 januari 2012 conform functiebalk 4 van de Matrans-cao betaald dienen te worden. De kantonrechter kan dit betoog niet volgen. Bijlage II en bijlage V van de sjor-cao en artikel 16 van het onderhandelingsresultaat kunnen bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat werknemers van Transcore vallen onder groep I van de salaris- en functielijst als opgenomen in artikel B6 van de sjor-cao en dat zij dienovereenkomstig moeten worden betaald. Vastgesteld wordt dat de voor werknemers toepasselijke hoogte van de inlenersbeloning is gebaseerd op de tabel van artikel B6 van de sjor-cao. Dat Transcore hieraan niet zou hebben voldaan is gesteld noch gebleken. Een ander onderdeel van de inlenersbeloning dat door werknemers ter discussie is gesteld, betreft de arbeidsduurverkorting en de toeslagen. Deze vorderingen worden echter als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Werknemers stellen verder dat de regeling van de inlenersbeloning meebrengt dat ook bij arbeidsongeschiktheid de sjor-cao en Matrans-cao moet worden gevolgd en dat Transcore op grond daarvan in het eerste ziektejaar 100% in plaats van 91% loon moet betalen. Transcore stelt hiertegenover dat dat niet blijkt uit de in de ABU-CAO benoemde elementen van de inlenersbeloning. De kantonrechter onderschrijft deze laatste opvatting. Niet valt in te zien dat en in hoeverre betaling bij arbeidsongeschiktheid moet worden begrepen onder de in de ABU-CAO vastgelegde definitie van inlenersbeloning. Transcore heeft niet weersproken dat werknemers recht hebben op belgeld en de vergoedingen en toeslagen als genoemd in artikel 33 Matrans-cao, zodat de daarop gerichte vorderingen worden toegewezen. Voorts oordeelt de kantonrechter, ten aanzien van de stelling van werknemers dat Transcore artikel 4:2 lid 3 Arbeidstijdenwet (ATW) overtreedt, dat niet valt in te zien op grond waarvan Transcore gehouden zou zijn arbeids- en rusttijden vast te stellen, nu zij zelf invulling kunnen geven aan hun werktijden en daarmee ook hun rusttijden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van de gestelde overtredingen van de ATW. Tot slot oordeelt de kantonrechter dat Transcore de overwerkregeling van artikel B7 van de sjor-cao op werknemers heeft toegepast in die zin dat zij de meer dan 38,75 per week gewerkte uren kregen uitbetaald en uit de rechtspraak en literatuur volgt dat een dergelijke overwerkregeling het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW kan weerleggen, zodat het beroep van werknemers op voornoemd wetsartikel niet kan slagen.