Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 30 augustus 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:2424
werknemer/Stichting Merem Behandelcentra c.s. (voorheen Stichting Nederlands Astmacentrum Davos)
Werknemer is per 1 december 1986 in dienst getreden van NAD in de functie van leraar ten behoeve van patiënten in haar astmacentrum te Davos. Op die arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Ziekenhuiswezen (thans CAO Gezondheidszorg) van toepassing verklaard, alsmede een nadere uitvoeringsregeling ter zake van de rechtspositieregeling voor medewerkers van het Nederlands Astmacentrum Davos te Davos (art. 11 van de arbeidsovereenkomst). Daar de CAO voor het Ziekenhuiswezen de functie van docent voortgezet onderwijs niet kende, is NAD met werknemer (en een drietal collega’s in dezelfde situatie) overeengekomen dat salariëring zou plaatsvinden op basis van een jaarlijks in overleg met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te maken vergelijking tussen de CAO Ziekenhuiswezen en de CAO Onderwijs (het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel – Rpbo – en het daarop gebaseerde salarisbeleid volgens de zogenoemde HOS-nota, thans CAO VO). De gedachte daarbij was dat de betrokken onderwijsgevenden bij terugkeer in Nederland in de pas zouden lopen met het salarisniveau in Nederland. Tussen partijen is verschil van inzicht ontstaan over de berekeningswjize. Na diverse pogingen tot een juiste berekeningsmethodiek te komen, is voorgesteld de methode Zaal toe te passen. De uitkomst leverde een som geld op voor werknemer. NAD heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de methodiek niet juist is. Thans vordert werknemer loon. Bij het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter – zakelijk weergegeven – NAD veroordeeld tot betaling aan werknemer van een bedrag van Sfr 35.427,49 (te weten tot 1 augustus 1998 Sfr 32.446,09 en van 1 augustus 1998 tot 1 augustus 2002 Sfr 2.981,40) bruto ter zake van achterstallig loon, vermeerderd met 10% wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke kosten, alsmede – op straffe van een dwangsom – tot het verstrekken van de loonstroken, met veroordeling van NAD in de kosten. In het principaal hoger beroep heeft werknemer vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en – na vermeerdering van eis – de veroordeling van NAD c.s. tot betaling van primair Sfr. 96.059,03, subsidiair Sfr 39.365,33, ter zake van achterstallig salaris.
Het hof oordeelt als volgt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat genoemde afspraken dienen te worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Dit betekent dat partijen zich ten aanzien van de vraag waaromtrent zij in het onzekere verkeren (in casu: de samenstelling van het Rpbo-loonstrookje) niet licht op dwaling kunnen beroepen (HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400). Een beroep op dwaling ten aanzien van die overeenkomst is echter wel mogelijk als sprake is van betrokkenheid van de wederpartij bij de dwaling op een wijze als genoemd in artikel 6:228 lid 1 onderdeel a of b BW (HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3129). NAD c.s. stelt dat een dergelijke situatie zich in deze heeft voorgedaan: de voorstellen waarmee NAD heeft ingestemd (de zogenoemde systeemfouten) kwamen uit de koker van werknemer en zij heeft erop vertrouwd dat deze in overeenstemming waren met het Rpbo. Er zou volgens NAD c.s. sprake zijn geweest van opzettelijke misleiding, maar een deugdelijke onderbouwing van dit standpunt ontbreekt. Werknemer ontkent dat hij NAD met opzet op het verkeerde been heeft gezet. Ook het hof sluit de mogelijkheid niet uit dat werknemer bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als het NAD is uitgegaan. Voorts acht het hof relevant dat (1) van een professionele partij als NAD, eerder dan van een werknemer als werknemer, mag worden verwacht dat zij zich verdiept in de ter zake geldende regels, (2) het over bepaald niet eenvoudig te doorgronden en ook nog geregeld wijzigende regelgeving gaat en (3) NAD in het overleg werd vertegenwoordigd door haar directeur bijgestaan door een P&O-functionaris, dus niet de eersten de besten. Dit maakt naar het oordeel van het hof dat het beroep van NAD c.s. op dwaling moet worden afgewezen. Evenmin kan daarom worden geoordeeld dat het beroep van werknemer op nakoming van de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat betekent dat partijen jegens elkaar aan de van de vaststellingsovereenkomst deel uitmakende berekeningsschema’s gebonden zijn. Het hof maakt vervolgens opnieuw berekeningen. De slotsom van het vorenstaande is, dat het bestreden eindvonnis niet in stand kan blijven voor zover NAD daarin veroordeeld is tot betaling van een bedrag van Sfr. 38.970,24 bruto en € 1.500 netto. Opnieuw rechtdoende zal NAD worden veroordeeld aan werknemer te betalen een bedrag van Sfr 32.446,09 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met 10% wettelijke verhoging, alsmede met de wettelijke rente over bruto vanaf 1 augustus 1998 tot de dag van algehele voldoening. Voor het overige zal het bestreden eindvonnis worden bekrachtigd.