Naar boven ↑

Rechtspraak

Wester-Beton BV/werkneemster
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 16 november 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:5079

Wester-Beton BV/werkneemster

Ontbinding op de g-grond. Beide partijen erkennen dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Betaling transitievergoeding in termijnen. Afwijzing verzoek om billijke vergoeding.

Werkneemster is op 1 mei 1982 in dienst getreden bij Wester-Beton BV (hierna: Wester-Beton). Werkneemster is de dochter van de voormalig directeur-eigenaar van Wester-Beton. Momenteel is de broer van werkneemster, de heer X, directeur en mede-eigenaar van Wester-Beton. Wester-Beton verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op de g-grond. Werkneemster verweert zich tegen hetgeen door Wester-Beton is aangevoerd, maar erkent dat de verhouding tussen partijen ernstig is verstoord en zij legt zich neer bij de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Wel verzoekt zij bij wijze van tegenverzoek om toekenning van een billijke vergoeding ad € 25.000.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu werkneemster zich neerlegt bij de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat ook volgens haar de arbeidsverhouding ernstig is verstoord, zal het verzoek van Wester-Beton tot ontbinding worden toegewezen. Beide partijen hebben immers aangegeven dat zij van mening zijn dat een verdere voortzetting van de arbeidsrelatie niet (langer) tot de mogelijkheden behoort. Wester-Beton heeft verzocht om de transitievergoeding in termijnen te mogen voldoen, gelet erop dat gezien haar slechte financiële positie betaling ineens tot onaanvaardbare gevolgen voor haar bedrijfsvoering zal leiden. Werkneemster heeft de slechte financiële positie van Wester-Beton erkend en Wester-Beton heeft dit met de door haar overgelegde jaarstukken ook voldoende aangetoond. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 25 Ontslagregeling wordt de betaling van de transitievergoeding gespreid over een periode van zes maanden. Wester-Beton zal ingaande 1 mei 2017 gedurende een periode van zes maanden maandelijks € 9.397,76 bruto aan werkneemster dienen te betalen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 tweede volzin BW zal Wester-Beton tevens wettelijke rente over de (resterende) transitievergoeding dienen te betalen, ingaande 1 mei 2017. Werkneemster heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding, omdat er volgens haar sprake is van ernstig verwijtbaar handelen jegens haar van Wester-Beton. De kantonrechter is van oordeel dat van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen van Wester-Beton niet is gebleken. Wat er ook zij van de discussie over de overuren, volgens werkneemster is dat al in 2009 opgelost. Door werkneemster en X is ter zitting aangegeven dat zij totaal verschillende persoonlijkheden zijn en het valt niet uit te sluiten dat daardoor de tussen hen ontstane fricties in ieder geval deels kunnen worden verklaard. Voorts komt het de kantonrechter voor dat werkneemster zich niet steeds heeft kunnen schikken in haar rol als ondergeschikte werknemer van haar broer X, bijvoorbeeld gelet op haar oppositie tegen diens beslissingen omtrent samenwerking met een andere betonproducent en het in vaste dienst nemen van een aantal personeelsleden, waaronder zijn dochter. Dat dit bij haar broer niet goed is gevallen en dat dit mogelijk in zijn handelwijze tot uitdrukking is gekomen kan hem niet zwaar worden aangerekend. Voorts geldt dat er, op instigatie van X, mediation is gestart tussen X en werkneemster en dat werkneemster deze mediation reeds tijdens het eerste gesprek samen met X en de mediator heeft beëindigd en daarmee door haar eigen toedoen deze mediation in feite weinig kans heeft gegeven. Ter zitting is door X voorts wel verklaard dat hij zelf vast ook wel een aandeel zal hebben gehad in de verslechterde verhouding met werkneemster, maar dat is onvoldoende om zijn handelen, en daarmee dat van Wester-Beton, als ernstig verwijtbaar te kwalificeren. Door werkneemster nog aangevoerde omstandigheden van persoonlijke aard spelen bij deze beoordeling geen rol. Gelet hierop zal het verzoek van werkneemster tot toekenning van een billijke vergoeding worden afgewezen.