Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/CMA CGM (Holland) B.V. c.s.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 7 november 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:8654

werknemer/CMA CGM (Holland) B.V. c.s.

Vernietiging ontslag op staande voet. Niet is komen vast te staan dat werknemer wist van onrechtmatigheid van betalingen door leidinggevende. Dat werknemer dit in de boekhouding heeft willen verhullen evenmin.

Werknemer is vanaf 1 juli 1997 bij CMA CGM (Holland) B.V. (hierna: CMA CGM) werkzaam geweest, laatstelijk in de functie van Empl. Finance (General Ledger Manager). Werknemer is vanaf 24 oktober 2013 ook werkzaam bij CMA CGM & ANL Securities B.V. (hierna: CMA CGM & ANL). Op 11 augustus 2016 is werknemer op staande voet ontslagen. CMA CGM legt aan het ontslag ten grondslag dat werknemer fraude heeft gepleegd. Werknemer heeft namelijk in strijd met de daarvoor geldende procedures meerdere niet-zakelijke betalingen aan een externe partij, verricht door zijn leidinggevende (hierna: X), in de boekhouding verwerkt, terwijl hij wist dat aan de betalingen geen facturen ten grondslag lagen. Hij heeft niet gepoogd om alsnog onderliggende facturen te verkrijgen van X. Hij heeft de frauduleuze betalingen ook niet gemeld aan de directie. Voorts heeft werknemer hierover tegenstrijdige, althans niet eerlijke verklaringen afgelegd. Daarmee is werknemer terecht op staande voet ontslagen, aldus CMA CGM. Werknemer verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet en CMA CGM te verplichten werknemer toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, alsmede het loon door te betalen vanaf 11 augustus 2016.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Dat werknemer de niet-zakelijke betalingen met een gezamenlijk beloop van € 58.588 heeft verwerkt in de boekhouding zonder dat daarvoor facturen zijn overgelegd is niet betwist en staat dus vast. In zoverre staat vast dat werknemer in strijd heeft gehandeld met boekhoudkundige regels en de bij CMA CGM geldende standaardprocedures. Gezien de gemotiveerde betwisting staat echter niet vast dat werknemer wist dat de door hem ingeboekte betalingen niet-zakelijk van aard waren. De kantonrechter acht het voor het aannemen van een dringende reden van beslissende betekenis of werknemer wist of had moeten weten dat de door hem ingeboekte betalingen niet-zakelijk van aard waren, omdat in dat geval werknemer medeplichtig wordt aan de uitvoering van frauduleuze handelingen. In het nu vastgestelde geval dat werknemer de inboekingen heeft verricht zonder onderliggende facturen, blijft het bij een vaststelling van een handelen in strijd met de regels en daardoor foutief handelen dat werknemer kan worden aangerekend, maar niet kwalificeert als een dringende reden. Daartoe is geen aanleiding omdat werknemer die betalingen inboekte in opdracht van zijn leidinggevende, werknemer de betalingen niet heeft uitgevoerd en niet gebleken is van enige betrokkenheid van werknemer bij het plan van X of zelf enig voordeel daarvan heeft gehad. Voorts wordt het werknemer verweten dat hij het management van CMA CGM niet heeft geïnformeerd over de inboekingen zonder factuur. Ervan uitgaande dat werknemer niet bekend was met het niet-zakelijk karakter van de desbetreffende betalingen en werknemer naar zijn mening niet méér deed dan de betalingen op gezag van zijn leidinggevende voorlopig ‘te parkeren’ in het door zijn leidinggevende aangewezen grootboeknummer, bestond er onvoldoende aanleiding voor werknemer om het management van CMA CGM hieromtrent te informeren. Ten aanzien van de door CMA CGM aangevoerde feiten en omstandigheden, die door de betwisting door werknemer niet vaststaan, is geen bewijsaanbod gedaan door CMA CGM. Daarom wordt geen reden gezien om CMA CGM tot bewijslevering toe te laten. Kortom, op basis van de thans voorhanden zijnde informatie staat niet vast dat werknemer er wetenschap van heeft gehad dat de betalingen door X onrechtmatig waren en (dus) evenmin dat hij dit door middel van de verwerking in de boekhouding heeft willen verhullen. Voor het oordeel dat werknemer (medewerking aan) fraude heeft gepleegd, is ten tijde van het ontslag op staande voet onvoldoende feitelijke grondslag geweest en aan het verwijt dat werknemer niet eerlijk is geweest, wordt – zo daarvan al sprake is geweest – om voormelde redenen weinig gewicht toegekend. Daarom is er op 11 augustus 2016 geen dringende reden aanwezig geweest om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Om die reden wordt de opzegging vernietigd. Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd, heeft werknemer in beginsel recht op toelating tot de overeengekomen werkzaamheden. CMA CGM en CMA CGM & ANL worden beide veroordeeld tot doorbetaling van loon tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.