Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 1 december 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:9250
Stichting Hogeschool Rotterdam/werknemer
Werknemer is op 1 september 2006 in dienst getreden bij Hogeschool Rotterdam. Sindsdien heeft hij verschillende directeursfuncties bekleed. Hogeschool Rotterdam verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst en verzoekt voor recht te verklaren dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen, zodat aan hem geen transitievergoeding verschuldigd is. Aan het verzoek wordt het volgende ten grondslag gelegd. Uit onderzoek van Hoffmann is gebleken dat werknemer frauduleus heeft gehandeld. Ten eerste heeft werknemer vanaf 7 februari 2013 tot en met 2 april 2016 in totaal 28 facturen van een Costa Ricaans bedrijf Cihol in de administratie van Hogeschool Rotterdam laten opnemen en zelf geaccordeerd. Volgens omschrijvingen op de facturen dienden de factuurbedragen betaald te worden aan Myrrhe, de Nederlandse partner van Cihol. Op grond van die facturen heeft Hogeschool in totaal een bedrag van € 104.572,67 betaald aan Myrrhe. Gebleken is echter dat werknemer directeur-grootaandeelhouder is van Myrrhe en dat Myrrhe in maart 2013 haar activiteiten heeft gestaakt en later in augustus 2014 bij de Kamer van Koophandel is uitgeschreven. Het verweer van werknemer strekt primair tot afwijzing van het verzoek.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Als onweersproken gelaten kan worden vastgesteld dat de facturen van Cihol werden opgesteld door werknemer en door hem akkoord werden bevonden, zonder enige controle van een derde. Vervolgens werden de factuurbedragen overgemaakt naar de bankrekening van zijn eigen bedrijf, dat reeds in augustus 2014 was ontbonden. Niet alleen heeft werknemer met deze handelwijze een belangenverstrengeling in het leven geroepen, ook heeft hij nagelaten om in het kader van de transparantie en het afleggen van verantwoording aan het CvB schriftelijke stukken over te leggen die aan de werkzaamheden van hem, Cihol en Myrrhe ten grondslag liggen. Werknemer heeft niet aangetoond dat Cihol een bestaand bedrijf is noch heeft hij gesteld dat hij dat heeft gecontroleerd bij het aangaan van de contacten. Hij heeft geen goede verklaring kunnen geven voor het feit dat tot en met 2 april 2016 door Hogeschool Rotterdam betalingen zijn verricht aan Myrrhe, terwijl deze vennootschap reeds in augustus 2014 is ontbonden. Door het CvB en R in het ongewisse te laten over de transacties en door vervolgens na te laten om zelf in voldoende mate toezicht te houden – middels controles en een behoorlijke administratie – op het gehele proces, is werknemer thans niet in staat om in voldoende mate verantwoording af te leggen jegens het CvB over de betaalde facturen van Cihol en is de schijn van eigenbevoordeling gewekt. Dat klemt temeer nu het hier gaat om gemeenschapsgeld en de handelwijze van werknemer ertoe leidt dat ook het CvB niet in staat is om verantwoording af te leggen over een deel van de door Hogeschool Rotterdam aangewende middelen. Werknemer heeft derhalve onzorgvuldig gehandeld jegens Hogeschool Rotterdam.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer met zijn handelwijze ter zake de facturen van Cihol dusdanig verwijtbaar gehandeld dat hij als directeur niet meer te handhaven is, zodat van Hogeschool Rotterdam in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt niet in de rede. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a jo. 7:669 lid 3 onderdeel e BW. Gelet op de wijze waarop werknemer buiten medeweten van Hogeschool Rotterdam structureel en over een aanzienlijke periode bedragen heeft onttrokken van Hogeschool Rotterdam ten voordele van zijn eigen vennootschap, zonder dat hij heeft aan kunnen tonen dat die bedragen ten behoeve van RBS zijn aangewend en derhalve niet zorgvuldig jegens Hogeschool Rotterdam heeft gehandeld, is er sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 2 december 2016 (art. 7:671b lid 8 onderdeel b BW) en Hogeschool Rotterdam is geen transitievergoeding verschuldigd (art. 7:673 lid 7 onderdeel c BW).