Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 1 december 2016
ECLI:EU:C:2016:917
Mohamed Daouidi/Bootes Plus SL c.s.
Op 17 april 2014 is Daouidi door Bootes Plus in dienst genomen in een van de restaurants van een hotel in Barcelona (Spanje). Op 3 oktober 2014 is Daouidi uitgegleden op de vloer van de keuken van het restaurant waar hij werkte. Hierbij heeft hij zijn linkerelleboog ontwricht, die in het gips moest worden gezet. Op dezelfde dag heeft Daouidi een procedure ingesteld tot erkenning van zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Op 26 november 2014, terwijl hij nog tijdelijk arbeidsongeschikt was, heeft Daouidi van Bootes Plus een mededeling van ontslag om dringende redenen ontvangen wegens ongeoorloofde afwezigheid van werk. In dit verband heeft Daouidi aangevoerd dat zijn ontslag in strijd was met zijn in artikel 15 van de Grondwet neergelegde fundamentele recht op lichamelijke integriteit, met name omdat de directeur van het restaurant hem had verzocht zijn arbeid te hervatten in het weekend van 17 tot en met 19 oktober 2014, terwijl hij daar niet toe in staat was. Voorts zou zijn ontslag discriminerend zijn omdat de werkelijke reden van dat ontslag zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van zijn arbeidsongeval was en in het bijzonder een ‘handicap’ in de zin van Richtlijn 2000/78 en het arrest van 11 april 2013, HK Danmark (C-335/11 en C-337/11, ECLI:EU:C:2013:222). De verwijzende rechter wijst erop dat er voldoende feiten zijn om aan te nemen dat het ontslag van Daouidi weliswaar de schijn en de vorm van een ontslag om dringende redenen heeft, maar dat de werkelijke reden van dat ontslag de arbeidsongeschiktheid voor onbepaalde tijd was die het gevolg was van het arbeidsongeval dat Daouidi heeft gehad. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of een dergelijk ontslag in strijd is met het Unierecht, doordat het in strijd is met het non‑discriminatiebeginsel, het recht op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag, het recht op rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en het recht op bescherming van de gezondheid, die zijn neergelegd in respectievelijk artikel 21 lid 1 de artikelen 30 en 31, artikel 34 lid 1 en artikel 35 van het Handvest. Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of er in het hoofdgeding sprake is van discriminatie op grond van een ‘handicap’ in de zin van Richtlijn 2000/78. Allereerst ondervindt Daouidi duidelijk een beperking sinds hij zijn elleboog heeft ontwricht. In dit verband verduidelijkt de rechter dat Daouidi op de datum van de zitting van die rechter in het hoofdgeding, namelijk ongeveer zes maanden na diens arbeidsongeval, zijn linkerelleboog nog steeds in het gips had. Vervolgens was de werkgever van Daouidi van mening dat de arbeidsongeschiktheid van Daouidi in strijd met zijn belangen te lang duurde, met als gevolg dat is voldaan aan de voorwaarde inzake het ‘langdurige’ karakter van de beperking. Ten slotte belet dat ontslagbesluit Daouidi volledig, daadwerkelijk en onder dezelfde voorwaarden als andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of Richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een persoon als gevolg van een arbeidsongeval voor onbepaalde tijd tijdelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het nationale recht, op zich impliceert dat de functiebeperking van die persoon kan worden aangemerkt als ‘langdurig’ in de zin van het begrip ‘handicap’ in die richtlijn. Indien een ongeval tot een beperking leidt die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen, en die beperking langdurig is, kan die beperking onder het begrip ‘handicap’ in de zin van Richtlijn 2000/78 vallen (zie naar analogie arrest van 11 april 2013, C-335/11 en C-337/11, ECLI:EU:C:2013:222, punt 41 (HK Danmark)). De ontwrichting van de elleboog en plaatsing in het gips maakt dat sprake is van arbeidsongeschiktheid. De verwijzende rechter verduidelijkt dat Daouidi op de datum van de zitting van die rechter in het hoofdgeding, namelijk ongeveer zes maanden na dat arbeidsongeval, zijn elleboog nog steeds in het gips had en derhalve niet in staat was om zijn beroepsactiviteit uit te oefenen.Bijgevolg staat vast dat Daouidi een functiebeperking ondervond die het gevolg was van een lichamelijke aandoening. Om te bepalen of Daouidi als een ‘persoon met een handicap’ in de zin van Richtlijn 2000/78 kan worden aangemerkt en derhalve binnen de werkingssfeer van die richtlijn kan vallen, moet derhalve worden onderzocht of die functiebeperking, die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen, ‘langdurig’ is. Het begrip ‘langdurig’ karakter van een fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking wordt in het VN‑Verdrag niet gedefinieerd. Richtlijn 2000/78 bevat geen definitie van het begrip ‘handicap’ en vermeldt niet het begrip ‘langdurige’ functiebeperking van een persoon in de zin van dat begrip. Bij gebreke van een dergelijke uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten moet het begrip ‘langdurige’ functiebeperking van een persoon in de zin van het begrip ‘handicap’ in Richtlijn 2000/78 derhalve autonoom en uniform worden uitgelegd. Het feit dat Daouidi onder de rechtsregeling inzake ‘tijdelijke’ arbeidsongeschiktheid in de zin van het Spaanse recht valt, kan bijgevolg niet uitsluiten dat diens functiebeperking wordt aangemerkt als ‘langdurig’ in de zin van Richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van het VN‑Verdrag. Voorts moet het ‘langdurige’ karakter van de beperking worden onderzocht in het licht van de ongeschiktheid als zodanig van de betrokkene op de datum van vaststelling van de handeling die beweerdelijk discriminerend is voor die persoon (zie in die zin arrest van 11 juli 2006, C-13/05, ECLI:EU:C:2006:456, punt 29 (Chacón Navas)). Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat Richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat:
– het feit dat de betrokkene als gevolg van een arbeidsongeval voor onbepaalde tijd tijdelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het nationale recht, op zich niet betekent dat de functiebeperking van die persoon kan worden aangemerkt als ‘langdurig’ in de zin van de definitie van ‘handicap’ als bedoeld in die richtlijn, gelezen in het licht van het VN‑Verdrag;
– tot de aanwijzingen waaruit kan worden opgemaakt dat een dergelijke beperking ‘langdurig’ is, met name het feit behoort dat er op de datum van de beweerdelijk discriminerende handeling geen duidelijk vooruitzicht bestaat op een beëindiging op korte termijn van de ongeschiktheid van de betrokkene, alsook het feit dat die ongeschiktheid lang kan voortduren tot het herstel van die persoon; en
– bij de toetsing van dat ‘langdurige’ karakter de verwijzende rechter zich moet baseren op alle objectieve gegevens waarover hij beschikt, in het bijzonder op documenten en attesten betreffende de toestand van die persoon die zijn opgesteld op basis van de huidige kennis en medische en wetenschappelijke gegevens.
Artikel 51 lid 1 van het Handvest bepaalt dat de bepalingen van het Handvest uitsluitend tot de lidstaten zijn gericht wanneer die lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen. Volgens artikel 6 lid 1 VEU en artikel 51 lid 2 van het Handvest breiden de bepalingen van het Handvest de werkingssfeer van het Unierecht niet verder uit dan de bij de verdragen bepaalde bevoegdheden van de Unie reiken. Derhalve kan op de andere prejudiciële vragen geen antwoord worden gegeven.