Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 1 december 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:9641
Combinatie Zorg A BV/werknemer
Werknemer heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank om Combinatie Zorg A BV (hierna: CZA) in staat van faillissement te verklaren. De rechtbank heeft dit verzoek op 4 oktober 2016 ingediend. Tegen dit vonnis komt CZA in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Eerst wordt ingegaan op de vraag of summierlijk is gebleken van een ten tijde van de aanvraag van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvragende schuldeiser, werknemer. Werknemer stelt op grond van een tussen hem en CZA gesloten arbeidsovereenkomst een loonvordering op CZA te hebben. Volgens werknemer heeft hij recht op loon over de periode na 1 april 2016 en op vakantiegeld aangaande de periode vóór 1 april 2016. CZA heeft betwist dat zij genoemd loon en vakantiegeld moet betalen. Volgens CZA is namelijk met ingang van 1 april 2016 sprake van overgang van onderneming, van CZA naar Safa Zorg B.V., waardoor CZA met ingang van die datum niet meer verplicht is het loon van werknemer te betalen. De curator heeft zelfstandig onderzoek gedaan naar de vraag of sprake is van overgang van onderneming en heeft geconcludeerd dat dit aannemelijk/waarschijnlijk is. De curator heeft daarbij onder meer gewezen op de omstandigheid dat arbeidskrachten in de sector (thuis)zorg de voornaamste factor van de activiteit zijn en een wezenlijk deel van het personeel (104 van de 113 directe personeelsleden) is over van CZA naar Safa Zorg BV. Werknemer heeft de door CZA aangevoerde omstandigheden weliswaar betwist, maar heeft deze betwisting onvoldoende gemotiveerd. Gelet hierop is niet summierlijk gebleken van een ten tijde van de aanvraag van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van werknemer jegens CZA betreffende loonbetaling na 1 april 2016. Tegenover de betwisting door CZA heeft werknemer ook onvoldoende gesteld om summierlijk aan te kunnen nemen dat hij jegens CZA nog recht heeft op vakantiegeld over de periode vóór 1 april 2016. Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarden voor faillietverklaring van CZA. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt, dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en dat het hof het verzoek alsnog moet afwijzen.