Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 11 november 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:10237
werknemer/werkgever
Werknemer is op 1 juli 2013 in dienst getreden als chauffeur. Op 18 mei 2016 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 juli 2016. In geschil is of werkgever de transitievergoeding (€ 3078 bruto) verschuldigd is.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. Immers, vast staat dat werknemer van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2016 werkzaam is geweest bij werkgever en uit de brief van 18 mei 2016 blijkt dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkgever niet aansluitend is voortgezet, zodat deze van rechtswege is geëindigd. Werkgever heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat sprake zou zijn geweest van een beëindiging met wederzijds goedvinden, zodat hier aan het verweer van werkgever dat geen recht op een transitievergoeding bestaat wegens de aard van de beëindiging voorbij wordt gegaan. De kantonrechter volgt werkgever evenmin in het verweer dat slechts werknemers die op of na 1 juli 2015 in dienst zijn getreden recht hebben op een transitievergoeding. Gelet op artikel XXXIX lid 1 Overgangsrecht WWZ heeft artikel 7:673 BW onmiddellijke werking gekregen vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet, zijnde 1 juli 2015. Er is geen bepaling in het overgangsrecht opgenomen waaruit iets anders volgt. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van € 3078.