Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 6 december 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:5419
Betoncentrales BV/werknemer
Werknemer is op 1 oktober 2005 als bedrijfsleider bij Betoncentrales BV (hierna: Betoncentrales) in dienst getreden als bedrijfsleider. In 2007 heeft Betoncentrales hem een auto ter beschikking gesteld. Op 6 april 2012 heeft Betoncentrales aangegeven dat werknemer mocht gaan kijken naar een andere, nieuwe auto. Werknemer heeft Betoncentrales op 24 april 2012 aangegeven dat hij voor de Mazda CX5 gaat. Hij heeft daarin voorts vermeld dat de investering in de auto en meerkosten binnen de afspraak vallen. Nadat betoncentrales per e-mail akkoord is gegaan, is werknemer overgegaan tot de aankoop van de lease-auto. Betoncentrales vordert thans dat voor recht wordt verklaard dat werknemer tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar betreffende de aanschaf van de (accessoires van de) lease-auto met veroordeling van werknemer tot betaling aan haar van € 9832. De kantonrechter heeft de vorderingen van Betoncentrales afgewezen. Tegen dit vonnis komt Betoncentrales in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat Betoncentrales werknemer een volmacht heeft gegeven om in naam van Betoncentrales tot aanschaf van een auto over te gaan. Welke inhoud deze volmacht heeft, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Uit de hiervoor vastgestelde feitelijke gang van zaken blijkt dat werknemer de mogelijkheid kreeg om zelfstandig op zoek te gaan naar een auto die door Betoncentrales voor hem zou worden aangeschaft. Uit het feit dat hij vervolgens een offerte aan Betoncentrales voorlegde van een Subaru met vele extra accessoires blijkt dat hem daarbij niet de restrictie is opgelegd dat er geen accessoires bij de auto mochten worden aangeschaft. De reactie van Betoncentrales op de voorgelegde offerte zag enkel op het totaal te investeren bedrag exclusief btw; daaraan stelde Betoncentrales een beperking. Toen werknemer Betoncentrales vervolgens informeerde over de aanschaf van een andere auto, heeft Betoncentrales hem niet gevraagd naar de prijs van de verschillende accessoires; de enkele mededeling van werknemer dat de investering binnen de afspraak viel, behoefde kennelijk op dat moment voor Betoncentrales geen nadere toelichting. Vervolgens hebben partijen gecorrespondeerd over de aanpassing van het verslag van het functioneringsgesprek. Daarin is de berekening van de investering in de nieuwe auto opgenomen en dit verslag is door beide partijen ondertekend.
Aldus is het verweer van werknemer dat de volmacht zich uitstrekte tot de aanschaf van een auto binnen een vooraf door Betoncentrales aangegeven budget, voldoende onderbouwd. Het is dan aan Betoncentrales om haar stelling over het vereiste van het verkrijgen van expliciete toestemming voor iedere aan te schaffen accessoire te onderbouwen. De stellingen van Betoncentrales houden niet in dat naast hetgeen is besproken en schriftelijk is vastgelegd, nog uitdrukkelijk aan werknemer is meegedeeld dat hij voor de afzonderlijke accessoires toestemming nodig had. Ook al is kennelijk voor bepaalde accessoires wél toestemming gevraagd en verkregen, vloeit daar gelet op het ter beschikking gestelde totaalbudget nog niet uit voort dat die toestemming ook nodig was om tot bestellen van accessoires over te gaan. Gelet op wat partijen over en weer aan elkaar hebben meegedeeld en hetgeen zij vervolgens in het gespreksverslag en de bijlage hebben vastgelegd, mocht werknemer er naar het oordeel van het hof van uitgaan dat de aan hem gegeven volmacht inhield dat een auto met accessoires tot het daarin genoemde totaalbedrag mocht worden aangeschaft, zonder dat hij aanvullende toestemming nodig had voor de afzonderlijke accessoires. Werknemer heeft dan ook niet in strijd met de aan hem verstrekte volmacht gehandeld. Van een schending van enige contractuele verplichting of van enig onrechtmatig handelen is dan ook niet gebleken. Het verwijt dat werknemer scherper had moeten onderhandelen, is ongegrond nu werknemer bij het sluiten van de koopovereenkomst binnen de grenzen van de volmacht is gebleven. Dat de volmacht impliceerde dat werknemer scherp moest onderhandelen, is onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat werknemer bij de uitoefening van zijn functie hiertoe verplicht was, is daarvoor niet redengevend. De aanschaf van een auto die werknemer zowel zakelijk als privé mocht gebruiken, behoort zonder een nadere toelichting die evenwel ontbreekt, niet tot de normale werkzaamheden van een bedrijfsleider. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.