Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 29 november 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:3448
Linde Gas Benelux BV/werknemer
Werknemer is in 1976 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Linde Gas Benelux BV (hierna: Linde). In 2013 heeft Linde de opdracht tot het verschroten van acetyleencilinders gegund aan X. X heeft de opdracht laten uitvoeren door Groenleer Metaalrecycling BV (hierna: Groenleer). Op 23 januari 2014 is door Groenleer geconstateerd dat bij de verschroting van de door Linde aangeleverde acetyleencilinders asbest is vrijgekomen. Medio mei 2014 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) naar aanleiding van het asbestincident een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Werknemer is op 24 december 2015 op staande voet ontslagen, omdat hij zich er volgens Linde van bewust was dat de aan X aangeboden acetyleenflessen giftige stoffen konden bevatten en desondanks geen melding heeft gemaakt hiervan. Werknemer vordert vernietiging van het ontslag op staande voet en wedertewerkstelling. Linde heeft – voor het geval het verzoek van werknemer zou worden toegewezen – verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-grond. De kantonrechter heeft de verzoeken van werknemer toegewezen. Tegen dit vonnis komt Linde in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van de op de acetyleencilinders aangebrachte veiligheidsstickers en op grond van het op de website van Linde gepubliceerde ‘Veiligheidsinformatieblad Acetyleen, opgelost’ moet worden aangenomen dat het binnen Linde – en ook bij werknemer – bekend was dat acetyleencilinders in sommige gevallen asbest bevatten. Werknemer heeft na het incident aan Linde meerdere malen te kennen gegeven dat hem door collega’s was medegedeeld dat alleen acetyleencilinders die dateerden van vóór 1968, asbest konden bevatten.
Tijdens het getapte telefoongesprek is noch door werknemer, noch door Y gezegd dat werknemer ten tijde van het verlenen van de opdracht aan X al wist dat deze veronderstelling onjuist was. In dat gesprek bespreken werknemer en Y dat zij destijds ervan uitgingen dat zo’n 99% van de te verschroten cilinders asbestvrij zou zijn en dat de overige 1-2% – die dus wel asbest zouden kunnen bevatten – visueel te herkennen waren. Werknemer heeft tijdens de mondelinge behandeling – naar aanleiding van een opmerking van de advocaat van Linde dat de cilinders van vóór 1968 niet te herkennen zouden zijn geweest – medegedeeld dat in de cilinders de bouwdatum en de keurdatum zijn ingeslagen. Linde heeft deze mededeling niet weersproken. De mededeling van werknemer strookt overigens met hetgeen hij op 19 februari 2014 ten overstaan van een inspecteur van de Inspectie SZW heeft verklaard. Op grond hiervan gaat het hof er dan ook van uit dat waar werknemer in het telefoongesprek gewag maakt van 1-2% van de cilinders die asbest kunnen bevatten, maar visueel herkenbaar zijn, hij doelt op het feit dat het bouwjaar van de cilinders zichtbaar was zodat de cilinders van vóór 1968 uit het verschrotingsproces konden worden gehaald. Hieruit volgt ook dat werknemer redelijkerwijs mocht aannemen dat X in staat zou zijn vast te stellen om welke cilinders het ging en deze cilinders buiten het verschrotingsproces te houden. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond wordt als volgt geoordeeld. Werknemer heeft verwijtbaar gehandeld. Het moge zo zijn dat hij informatie bij collega’s heeft opgevraagd, maar daar staat tegenover dat hij heeft nagelaten de aan hem toegezonden informatie te bestuderen. Zo heeft werknemer niet bestreden dat hij reeds in 2012/2013 e-mails van Z heeft ontvangen die betrekking hadden op het materiaal dat door de diverse fabrikanten werd gebruikt voor de poreuze massa in acetyleencilinders en waaruit kon worden opgemaakt dat bepaalde cilinders asbestvrij waren of juist asbesthoudende massa bevatten. Daarnaast had het op de weg van werknemer gelegen nadere actie te ondernemen toen hij begin 2013 het EIGA-document ontving. Niet in geschil is dat de verschroting van acetyleencilinders binnen de afdeling van werknemer een bijzondere en grote opdracht was en dat binnen de afdeling weinig kennis bestond over de te volgen werkwijze. Bij die stand van zaken kon van werknemer verwacht worden dat hij onmiddellijk kennis had genomen van de inhoud van het EIGA-document, nu dat document precies betrekking had op de opdracht die de afdeling van werknemer op dat moment onder handen had. Werknemer heeft echter niet ernstig verwijtbaar gehandeld, zodat hij wel recht heeft op een transitievergoeding.