Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 december 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:5229
HBJ en Lely Trading c.s./Fashion Box c.s
Tussen Fashion Box en het agentschap is een agentuurovereenkomst gesloten. Omdat op enig moment bleek dat het agentschap achter bleef met betaling van rekeningen aan Fashion Box, heeft Fashion Box met alle betrokken bv’s een Umbrella Agreement gesloten. Hiereen werden afspraken over de openstaande schuld opgenomen, alsmede een beëindigingsgrond bij niet-voldoeningen van deze overeenkomst. Volgens appellanten bevat artikel 6.1(b) van de Umbrella Agreement een van artikel 7:442 BW afwijkende regeling. Krachtens artikel 7:445 lid 2 BW kan voor het einde van de agentuurovereenkomst echter niet van artikel 7:442 BW worden afgeweken. Appellanten betogen, onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2012:BW9865 (T-Mobile) dat de wettelijke regeling inzake de agentuurovereenkomst moet worden uitgelegd overeenkomstig haar strekking en bedoeling, te weten de bescherming van de handelsagent. Dat betekent dat een afwijking van het uitgangspunt dat de agent recht heeft op goodwillvergoeding slechts geoorloofd is, als op het moment van het afsluiten van de alternatieve regeling uitgesloten is dat deze na beëindiging van de overeenkomst in het nadeel van de agent uitvalt. Als nog niet geheel duidelijk is of het nadelige gevolg voor de agent intreedt, is een afwijking van het uitgangspunt tot gerechtigdheid tot klantenvergoeding niet toegestaan. Artikel 6.1(b) Umbrella Agreement is dus ongeldig, aldus appellanten. Omdat de beëindiging van de Umbrella Agreement het gevolg is van een besluit van Fashion Box, is een beëindiging ingevolge artikel 7:439 lid 1 BW geheel van de wil van de principaal afhankelijk. Een dergelijk beding is nietig ingevolge artikel 7:439 lid 4 BW. Verder menen appellanten dat de letterlijke betekenis van ‘just cause’ niet die van ‘dringende reden’ is als bedoeld in artikel 7:439 BW en dat, voor zover over de betekenis van die woorden onduidelijkheid zou bestaan, de bepaling in het voordeel van appellanten moet worden uitgelegd gelet op de verhouding tussen partijen, de wettelijke bescherming van de agent en de omstandigheden van het geval.
Het hof oordeelt als volgt. In dat verband is van belang dat partijen de Umbrella Agreement als vaststellingsovereenkomst hebben gesloten om aan een geschil over de uitvoering van de Agentuurovereenkomst, namelijk de terugbetaling van een groot uitstaand bedrag, een einde te maken. De strekking van de Umbrella Agreement is (zoals hiervoor onder 3.6 reeds overwogen) dat de hoogte van het uitstaande bedrag wordt vastgesteld en voor de terugbetaling een termijnbetalingsregeling wordt getroffen. Intussen blijft de agentuurrelatie in stand. De keerzijde is – kennelijk – wel dat wanneer (onder meer) de betalingsregeling niet wordt nagekomen, Fashion Box de Umbrella Agreement kan beëindigen (art. 5.3(a) Umbrella Agreement). Volgens artikel 6.1(b) Umbrella Agreement wordt in dat geval de beëindiging van de agentuurovereenkomst ‘with immediate effect’ en ‘with just cause’ geacht te zijn, waaraan artikel 6.1(b) toevoegt ‘without any amounts whatsoever becoming due and/or payable by any of the Fashion Box companies’. In aanmerking nemend de achtergrond van de Umbrella Agreement en de strekking daarvan, in samenhang met het gegeven dat het om een beëindiging per direct gaat en gezien de hiervoor genoemde toevoeging, lijdt het naar het oordeel van het hof geen twijfel dat partijen met de woorden ‘just cause’ geen letterlijke vertaling van een Nederlands woord voor ogen stond, maar dat zij hebben gedoeld op een dringende reden als bedoeld in artikel 7:439 lid 2 BW. Een dergelijke dringende reden is immers een omstandigheid van zodanige aard dat van de partij die tot beëindiging overgaat niet kan worden gevergd de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten en waarbij die partij vanwege die (ontijdige) opzegging niet schadeplichtig is jegens de wederpartij. De wezenlijke elementen van artikel 6.1.(b) jo. 5.3(a) Umbrella Agreement en artikel 7:439 lid 2 BW zijn daarmee hetzelfde. Aan dit oordeel staat het karakter van de overeenkomst en het continuerende karakter van de financiële verhoudingen tussen partijen (wat daarvan ook zij) niet in de weg. Nu beide partijen zijn overeengekomen dat een beëindiging van de Umbrella Agreement op grond van een in artikel 5.3 Umbrella Agreement genoemde omstandigheid krachtens artikel 6.1(b) daarvan een dringende reden oplevert, is die bepaling niet nietig wegens strijd met artikel 7:439 lid 4 BW. De beslissing wanneer er een dringende reden aanwezig is, is immers niet aan ‘een der partijen’ overgelaten. In verband met artikel 5.3(b) wordt verder overwogen dat evenmin aan het oordeel van een der partijen is overgelaten wat de hoogte van de verschuldigde betalingstermijn is; die termijn is namelijk een resultante van de in (laatstelijk) de Supplemental Agreement neergelegde overeengekomen berekeningswijze. Uitsluitend is aan de beslissing van een der partijen (namelijk die van Fashion Box) overgelaten óf zij de overeenkomst beëindigt indien een onder artikel 5.3 beschreven situatie (zoals de niet-betaling van een betalingstermijn) zich voordoet. Maar die beslissing laat de tussen partijen in artikel 6.1(b) gezamenlijk afgesproken kwalificatie van de reden voor die beëindiging (namelijk als dringende reden) onverlet. Voor zover appellanten voor de uitleg van artikel 7:439 lid 4 BW nog een beroep doen op artikel 7:678 lid 3 BW als de corresponderende bepaling in het arbeidsrecht, wordt dat betoog verworpen. Artikel 7:678 lid 3 BW betreft niet de situatie waarin een der partijen bepaalt of er een dringende reden is, maar is beperkt tot bedingen waarbij (uitsluitend) de werkgever dat bepaalt. In die bepaling wordt aldus van een asymmetrie tussen partijen uitgegaan die in artikel 7:439 lid 4 BW niet wordt aangenomen. Een vergelijking tussen beide bepalingen biedt appellanten dan ook geen soelaas. Het hof is van oordeel dat artikel 6.1(b) Umbrella Agreement evenmin een van artikel 7:442 BW afwijkende regeling bevat. De beëindiging volgens artikel 6.1(b) Umbrella Agreement waarbij geen recht op vergoedingen (dus ook klantenvergoeding) bestaat, betreft louter omstandigheden waarvoor de agent een verwijt treft, namelijk de gevallen genoemd onder artikel 5.3 Umbrella Agreement. Dat is niet anders dan hetgeen reeds uit de wet voortvloeit, nu bij beëindiging van de agentuurovereenkomst wegens een dringende reden die aan de agent verwijtbaar is (art. 7:439 lid 3 BW) krachtens artikel 7:442 lid 4 onderdeel a BW geen aanspraak bestaat op klantenvergoeding. De regeling onder de Umbrella Agreement wijkt dus niet ten nadele van de agent af van het wettelijke stelsel van agentuur. Dat stelsel is in dit opzicht ook in overeenstemming met Richtlijn 86/653/EEG van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgeving van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, in het bijzonder artikel 18 van die richtlijn.