Rechtspraak
X/Y
Y exploiteert sinds februari 2014 een winkel waarin hij tweedehandsmeubels, kunst, antiek en curiosa verkoopt. Het gaat daarbij om zaken die ofwel afkomstig zijn uit door Y opgekochte boedels ofwel door particulieren of handelaren – zogenoemde ‘inbrengers’ – aan hem in consignatie zijn gegeven om voor hun rekening te worden verkocht. Op 1 november 2014 heeft Y de heer B in dienst genomen als winkelmanager gedurende vier dagen per week. In of omstreeks september 2015 heeft X aan B laten blijken het leuk te vinden hem in de winkel te komen helpen. Op 21 september 2015 heeft zij desverzocht aan B gemaild op dinsdagen en donderdagen beschikbaar te zijn. Met ingang van 29 september 2015 is X wekelijks, op dagen dat B ook werkte, in de winkel aanwezig geweest. Zij had er onder meer contact met bezoekers en besteedde aandacht aan de styling van de winkel. In of omstreeks juni 2016 kreeg X een sleutel en de beveiligingscode van de winkel, waarmee zij zich toegang tot de winkel kon verschaffen en deze ook kon afsluiten. Partijen hebben de voorwaarden waaronder X deze activiteiten in de winkel ontplooide niet schriftelijk vastgelegd. X heeft van B na verloop van tijd eenmalig € 1.000 netto aan ‘benzinegeld’ ontvangen. Op 18 juli 2016 ontving X het bericht dat haar aanwezigheid niet meer noodzakelijk was. Tussen partijen is in geschil of X werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. X stelt van wel en verzoekt primair om vernietiging van de opzegging.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De bijzondere constellatie in de winkel, waarin Y niet alleen zijn eigen spullen verkocht maar zich ook inspande om die van de inbrengers aan de man te brengen, heeft tevens gemaakt dat de verhoudingen tussen de aldus bij de winkelverkoop belanghebbenden niet steeds eenduidig is geweest. Wanneer in de winkel behalve B ook inbrengers aanwezig waren, en dat was veelvuldig en langdurig het geval, was niet goed te bepalen of zij er alleen voor de gezelligheid en het onderlinge contact waren, of zij hun eigen zakelijke belang bij verkoop van hun in consignatie gegeven spullen behartigden, of – zoals X stelt en ook C heeft betoogd – (mede) voor Y aan het werk waren. Dit gebrek aan transparantie komt niet, ook niet bij de in dit geding te beantwoorden kwalificatievraag, zonder meer voor rekening van Y, omdat daarbij ook de groep inbrengers, onder wie X , een rol heeft gespeeld en daarbij ook een zakelijk belang had. Dit maakt dat, waar in een reguliere ondernemingssetting met een duidelijke afbakening van de belangen bij de uitkomst van de arbeid, bij de beantwoording van die vraag reden bestaat om met het oog op de in het arbeidsrecht prevalerende werknemersbescherming onder andere het juridische begrip arbeid’ ruim uit te leggen, daarvoor hier minder aanleiding is. De kantonrechter ziet zich daarmee gesteld voor de vraag of niettemin aan het ‘arbeid’-vereiste is voldaan. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Algemeen wordt aangenomen dat, om te voldoen aan dit vereiste, sprake moet zijn van een voor de werkgever productieve arbeidsprestatie. Zo is bijvoorbeeld in de rechtspraak geoordeeld dat een stagiair die in het kader van een opleiding in een bedrijf praktijkervaring opdoet en geen of door het leerproces slechts in toenemende mate productieve arbeid verricht, geen arbeid in de zin van artikel 7:610 BW verricht. De vergelijking met de positie van X in de winkel van Y dringt zich op. Ook zij had een eigen belang bij haar aanwezigheid in de winkel, die zowel samenhing met de (potentiële) verkoop van haar eigen, in consignatie gegeven spullen als met haar liefhebberij voor antiek en curiosa. Dit betekent dat geen sprake was van een voor Y productieve arbeidsprestatie, althans slechts van een in de loop der tijd sterk wisselende mate waarin X in het belang van Y bijdroeg aan de bedrijfsvoering. Er bestond daardoor een zozeer van de reguliere arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer afwijkende situatie dat de activiteiten die X in de winkel heeft ontplooid niet op één lijn kunnen worden gesteld met de door een werknemer voor zijn werkgever verrichte arbeid, bij het resultaat waarvan alleen de werkgever belang heeft. Voor zover al af en toe, bijvoorbeeld in de laatste weken vóór 18 juli 2016, sprake zou zijn geweest van productieve werkzaamheden, verzet de rechtszekerheid zich tegen een geruisloze vervanging van de kwalificatie van de relatie door die van een arbeidsovereenkomst, waarvan voor geen van de partijen duidelijk was wanneer die wijziging zich zou hebben voltrokken. De vorderingen van X worden afgewezen.