Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 29 november 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:6355

werkneemster/werkgeefster

Geschil over datum opzegging arbeidsovereenkomst. Werkneemster heeft verzoek tot betaling transitievergoeding te laat (na verstrijken vervaltermijn) ingediend, zodat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek.

Werkneemster is op 1 juni 2011 voor onbepaalde tijd in dienst getreden. Laatstelijk was zij werkzaam als Pedagogisch Medewerker. Werkneemster is sinds 29 oktober 2013 arbeidsongeschikt. In een brief van werkgeefster aan werkneemster – gedateerd 21 oktober 2015 – staat onder andere dat het dienstverband van werkneemster per 30 oktober aanstaande zal eindigen. Werkgeefster heeft een ‘Aanvraag ontslagvergunning’ ingediend bij het UWV. Deze aanvraag is op 22 oktober 2015 door het UWV ontvangen. Op 15 juni 2016 heeft het UWV toestemming verleend voor opzegging. In een brief van werkgeefster van 30 juni 2016 aan werkneemster staat onder meer het volgende: ‘In vervolg op mijn eerdere schrijven, d.d. 21 oktober 2015, bevestig ik je hierbij dat je dienstverband met terugwerkende kracht en rekening houdende met 1 maand opzegtermijn zal eindigen per 29 november 2015.’ Werkneemster vordert betaling van de transitievergoeding. In deze zaak is de vraag aan de orde op welk moment werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werkneemster heeft opgezegd. Immers, het moment van opzeggen is van belang voor de vraag of werkneemster haar verzoekschrift tijdig heeft ingediend. Ingevolge artikel 7:686a lid 4 onderdeel b BW vervalt de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd indien het – en daarvan is hier sprake – een verzoek op grond van artikel 7:673 BW betreft.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de inhoud van de brief van 21 oktober 2015 duidelijk en ondubbelzinnig dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd met ingang van 30 oktober 2015. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkgeefster ook bevestigd dat een beëindiging van het dienstverband met die brief werd beoogd en werkneemster heeft op de zitting verklaard deze brief te hebben ontvangen. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat per 30 oktober 2015 de (re-integratie)werkzaamheden zijn gestaakt, dat over is gegaan tot eindafrekening en dat er – behoudens een enkele e-mailwisseling over de transitievergoeding – na 30 oktober 2015 geen contact meer is geweest tussen partijen, zodat ook uit de feitelijke gang van zaken kan worden opgemaakt dat de arbeidsovereenkomst met de brief van 21 oktober 2015 is geëindigd. Dat werkgeefster (ook) een ‘Aanvraag ontslagvergunning’ heeft ingediend bij het UWV laat onverlet dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst met haar brief van 21 oktober 2015 heeft opgezegd. Gelet op de (fatale) vervaltermijn en het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met de brief van 21 oktober 2015 is opgezegd (en derhalve met ingang van 30 oktober 2015 is geëindigd), heeft werkneemster het verzoek tot betaling van de transitievergoeding niet tijdig ingediend. Immers, zij heeft haar verzoekschrift niet binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd ingediend. Werkneemster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.