Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 20 december 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:10333
werknemer/BV Bouwmachines C. de Hon & Zn.
Werknemer is sinds 2006 in dienst bij BV Bouwmachines C. De Hon & Zn. (hierna: De Hon) in de functie van ‘vertegenwoordiger bekisting’. De Hon heeft in 2012 op bedrijfseconomische gronden ontslagaanvragen ingediend bij het UWV voor een vijftal werknemers, waaronder werknemer. Het UWV heeft de ontslagvergunningen verleend. De Hon heeft daarop het dienstverband met werknemer opgezegd tegen 1 november 2012. Werknemer vordert onder meer een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is en schadevergoeding. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat geen sprake is van een valse of voorgewende reden. Wel is volgens de kantonrechter sprake van een kennelijk onredelijk ontslag op grond van het gevolgencriterium. De Hon is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7500. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. In de systematiek zoals die bestond voor invoering van de WWZ stond geen beroep open bij de rechter van beslissingen van het UWV tot het verlenen van een ontslagvergunning. De beslissing van het UWV om aan De Hon een vergunning te verlenen voor het ontslag van werknemer op bedrijfseconomische gronden is dan ook onaantastbaar. Dat laat onverlet dat de rechter zich in een kennelijk-onredelijkontslagprocedure waarin wordt aangevoerd dat sprake is geweest van een ontslag op een voorgewende en/of niet bestaande bedrijfseconomische grond, zelfstandig een oordeel dient te vormen over de vraag of daadwerkelijk een bedrijfseconomische grond bestond en die grond ook de werkelijke reden was voor de verzochte ontslagvergunning. Die vraag dient daarbij wel te worden onderscheiden van de vraag of een (door het UWV aangenomen) bedrijfseconomische grond ook voldoende zwaarwegend was om het ontslag te dragen; die toetsing behoort tot het domein van het UWV. Niettemin kan een ontslag ook kennelijk onredelijk zijn indien sprake is geweest van een (al dan niet opzettelijk) onjuiste presentatie van de (bedrijfseconomische) cijfers en aannemelijk is dat bij een correcte presentatie het UWV de ontslagvergunning niet zou hebben verleend. Op de werknemer die zich beroept op het voorwenden of ontbreken van de aangevoerde bedrijfseconomische grond, dan wel op een onjuiste presentatie die het UWV op het verkeerde been heeft gezet, rust niet alleen de stelplicht, maar, bij betwisting, ook de bewijslast dat daarvan sprake is geweest. Het hof is niet gebleken dat De Hon een voorgewende of niet bestaande bedrijfseconomische grond heeft aangevoerd voor haar ontslagverzoek. Niet is weersproken dat sprake was van een teruglopende omzet en een teruglopende bruto marge. Daarmee staat genoegzaam vast dat daadwerkelijk sprake was van een bedrijfseconomische grond. De stellingen van werknemer dat De Hon onjuiste bedrijfseconomische informatie heeft verstrekt en dat daaruit onjuiste gevolgtrekkingen zijn gemaakt, zijn onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd om aannemelijk te achten dat het UWV de ontslagvergunning op basis van onjuiste informatie heeft verleend, of om aan te nemen dat geen sprake was van een teruglopende omzet en bruto marge. De door werknemer zelf ingeschakelde (partij)deskundige drs. X concludeert weliswaar dat het vermogen van De Hon door (het ontbreken van) doorbelastingen aan andere (groeps)maatschappijen negatief is beïnvloed, maar zo al van de juistheid van die bevindingen zou moeten worden uitgegaan is in het licht van de overwegingen die het UWV aan haar ontslagvergunning ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk dat bij doorbelasting overeenkomstig de eigen mededelingen daarover van De Hon de ontslagvergunning geweigerd zou zijn, nu het UWV heeft overwogen dat niet onredelijk is in te grijpen op het bedrijfsonderdeel bekistingen en dat het daarbij niet relevant is of dat bedrijfsonderdeel al dan niet verliesgevend is. Wat betreft het afspiegelingsbeginsel/de herplaatsingsinspanningen wordt als volgt overwogen. Werknemer heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat naar de functieomschrijving de functies van ‘vertegenwoordiger bekistingen’ en de functie van ‘technisch coördinator bekistingen’ verschillende, onderling niet uitwisselbare functies betreffen. Hij heeft echter wel gemotiveerd en onderbouwd aangevoerd dat de functie van ‘technisch coördinator bekistingen’ feitelijk niet bestaat en dat Y ook na 21 december 2012 zijn werkzaamheden van vertegenwoordiger is blijven uitoefenen. Door de gemotiveerde betwisting door De Hon dat feitelijk sprake is van dezelfde functie staat vooralsnog niet vast dat Y vanaf begin 2013 daadwerkelijk de werkzaamheden van vertegenwoordiger is blijven voortzetten. Nu werknemer uitdrukkelijk nadere bewijslevering van zijn stelling heeft aangeboden (door het horen van getuigen) zal hij daartoe in de gelegenheid worden gesteld. In afwachting van de uitkomst van de bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.