Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Europese Octrooi Organisatie
Hoge Raad, 20 januari 2017
ECLI:NL:HR:2017:56

werkneemster/Europese Octrooi Organisatie

Geen schending artikel 6 EVRM bij beroep op immuniteit door Europese Octrooi Organisatie ten aanzien van rechtsmacht.

Feiten

(Cassatieberoep van AR 2015-0620.) Werkneemster is op 1 november 1997 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij EOO in de functie van onderzoeker. Het laatstverdiende salaris van werkneemster bedroeg € 14.029,35 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat zij door toedoen van EOO arbeidsongeschikt is geraakt en bijgevolg recht heeft op een (veel hogere) invaliditeitsuitkering in plaats van de haar toekomende pensioenuitkering. EOO heeft geweigerd mee te werken aan de beoordeling, dan wel geweigerd het pensioen van werkneemster om te zetten in een uitkering krachtens invaliditeit. EOO heeft zich erop beroepen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt omdat EOO op grond van artikel 3 van het Protocol immuniteit van rechtsmacht toekomt. Werkneemster heeft zich hiertegen verweerd stellende – onder meer – dat de interne procedure bij EOO ten overstaan van het IAC heel lang duurt en dat een procedure bij ILOAT gemiddeld vijftien jaar in beslag neemt, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt overschreden. De kantonrechter heeft dit verweer van werkneemster verworpen en heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van werkneemster tegen EOO.

Oordeel gerechtshof

Het hof bekrachtigde het oordeel van de kantonrechter. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM is het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter niet absoluut. Dit recht kan worden beperkt, mits de kern van het recht niet wordt aangetast en mits de beperking een legitiem doel dient en proportioneel is ten opzichte van het met de beperking nagestreefde doel. Het EHRM heeft in de zaken Beer & Regan/Duitsland (28934/95) en Waite & Kennedy/Duitsland (26083/94) van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan een partij als werkneemster ‘reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention’ ten dienste staan. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van schending van artikel 6 EVRM. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in cassatie.

Oordeel Hoge Raad

Zoals is vooropgesteld in HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3609, NJ 2016/264 ([A] c.s./Europese Ruimtevaartorganisatie), volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het verlenen van immuniteit van jurisdictie aan internationale organisaties in het kader van de beperking van het recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel 6 EVRM, een legitiem doel dient (EHRM 18 februari 1999, 26083/94, r.o. 63 (Waite & Kennedy/Duitsland)). Bij de beantwoording van de vraag of toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie in het kader van een geding bij de overheidsrechter is geoorloofd, acht het EHRM van belang (‘a material factor’) of de rechtzoekende beschikt over redelijke alternatieve middelen om de door het EVRM aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen (‘whether the applicants had available to them reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention’; Waite & Kennedy/Duitsland, r.o. 68) en komt het erop aan of, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast (‘the limitation on their access to the (…) courts (…) impaired the essence of their “right to a court”’; Waite & Kennedy/Duitsland, r.o. 73). Deze maatstaf is door het EHRM onder meer herhaald in zijn uitspraak in de zaak Klausecker/Duitsland (EHRM 29 januari 2015, 415/07, r.o. 62-64). Anders dan onderdeel 1.2 aanvoert, volgt uit de rechtspraak van het EHRM niet dat de toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie reeds tot een aantasting van het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter leidt op de enkele grond dat de rechtsgang die voor de rechtzoekende beschikbaar is – in dit geval de interne procedure binnen EOO, gevolgd door de rechtsgang bij ILOAT – geen of zeer beperkte mogelijkheden kent voor het volgen van een spoedprocedure of het vragen van een voorlopige voorziening. Zoals het hof heeft onderkend, komt het in dit verband erop aan of in het concrete geval het wezen van het recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof terecht in aanmerking genomen enerzijds de te verwachten duur van de beschikbare rechtsgang, mede gelet op de complexiteit van de geschilpunten en de wijze van procesvoering, en anderzijds de aan partijen ten dienste staande middelen om de procesgang te doen versnellen of om in bepaalde gevallen een voorlopige voorziening te doen treffen. Aldus is het hof van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Het onderdeel faalt.