Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 25 april 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:3371
Scholen Aan Zee c.s./Y
Feiten
Y is op 1 september 2011 bij SaZ in dienst getreden en was daar laatstelijk werkzaam als docent LB in de vakgroep Economie. X was tot 1 april 2016 voorzitter van het college van bestuur (CvB) van SaZ. Er is een geschil ontstaan over het entreerecht (een tijdelijke bevorderingsmethodiek waaraan voorwaarden zijn verbonden, te weten eerstegraadsbevoegdheid en het geven van 50% of meer van de structurele formatieve uren in de bovenbouw). Bij beschikking van 29 juni 2015 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2015 ontbonden zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding. In de beschikking is onder meer overwogen dat het Y valt aan te rekenen dat een verschil van mening over de regeling in de cao zodanig is geëscaleerd dat voor hem binnen de stichting een totaal onwerkbare situatie is ontstaan die terugkeer naar de werkvloer onmogelijk maakt. De uitlatingen van Y over/jegens de stichting, de aan de stichting verbonden docenten van de vakgroep Economie van het Lyceum aan Zee en over de voorzitter van het college van bestuur van de stichting, zijn van dien toon en aard dat deze de mogelijkheid op een voor partijen werkbare oplossing teniet doet. De vergaande beschuldigingen aan het adres van de stichting over beledigingen, bedreigingen, en het regisseren van een crash-scenario met als doel Y eruit te werken, moeten naar het oordeel van de kantonrechter als ongegrond van de hand worden gewezen. Y is ook na deze beschikking doorgegaan met het publiekelijk uiten van beschuldigingen aan het adres van SaZ. SaZ en X vorderen Y te gebieden zijn publicaties en/of berichtgevingen omtrent SaZ, haar personeel respectievelijk overige ten behoeve van SaZ werkzame personen, haar werkwijze en dergelijke van het internet, waaronder sociale media, te verwijderen en verwijderd te houden en Y te verbieden om (al dan niet in de media) mondeling of schriftelijk uitlatingen te doen waarin hij één of meer eisers en/of (oud-)medewerkers van SaZ en/of overige aan haar gelieerde personen van onrechtmatigheden en/of strafbaar handelen beschuldigt dan wel suggereert dat daarvan sprake is geweest.
Oordeel
Toetsingskader botsing twee fundamentele rechten
Het draait in deze zaak om de botsing van twee fundamentele rechten, te weten enerzijds het recht van SaZ en X op bescherming van hun eer en goede naam en op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, en anderzijds het recht van Y op vrijheid van meningsuiting. Welk van deze rechten in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van alle ter zake dienende en in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval, waaronder onder meer de aard van de gepubliceerde beschuldigingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben en de ernst van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen. Bij de afweging komt niet in beginsel voorrang toe aan het door artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, noch aan de door artikel 8 EVRM beschermde rechten. De toetsing dient in één keer te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten gelet op alle ter zake dienende omstandigheden zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van artikel 10 EVRM, dan wel het tweede lid van artikel 8 EVRM (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627).
Aantijgingen lijken uitsluitend te zijn ingegeven door rancune
Y wil met zijn aantijgingen aan de orde stellen dat er bij SaZ sprake is van onbevoegde docenten, angstcultuur en schrikbewind, het doen van valse aangiften, steekpenningen, corruptie en bedrog en slecht werkgeverschap. Mede gelet op de door Y gedane uitlatingen ter zitting moeten de besproken aantijgingen worden gezien als het voertuig van de hetze die Y tegen SaZ poogt te ontketenen. De aantijgingen lijken aldus uitsluitend te zijn ingegeven door rancune over hoe hij door SaZ is behandeld. Het gaat Y er niet om ‘misstanden’ aan de kaak te stellen, maar om zijn gram te halen. Dit mede in aanmerking genomen moet de slotsom zijn dat de aard, ernst en intensiteit van de aantijgingen zodanig zijn dat het recht van SaZ en X op bescherming van de goede naam moet prevaleren boven het recht van Y op vrijheid van meningsuiting. De gevraagde voorziening is adequaat, temeer nu Y heeft laten weten hoe dan ook door te zullen gaan met zijn uitingen en zich daarin niet te laten stoppen, met dien verstande dat deze in duur zal worden beperkt tot twee jaar.