Rechtspraak
werknemer/ASW B.V.
Feiten
Werknemer is op 3 juli 2000 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) ASW B.V. (hierna: ASW). In eerste aanleg heeft de kantonrechter naar aanleiding van het verzoek van werknemer het voornemen kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 augustus 2016, zonder vergoeding, en werknemer gelegenheid geboden zijn verzoek in te trekken. In dezelfde beschikking heeft de kantonrechter op het tegenverzoek van ASW beslist dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 september 2016 en dat werknemer een transitievergoeding toekomt. Werknemer heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn verzoekschrift in te trekken en stelt hoger beroep in tegen het oordeel van de kantonrechter dat hem geen billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door ASW toekomt.
Oordeel
Ontvankelijkheid werknemer
ASW stelt zich primair op het standpunt dat werknemer niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep, omdat hij in eerste aanleg gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zijn verzoekschrift in te trekken. De daarin opgenomen verzoeken bestaan dus niet meer. Naar aanleiding van het zelfstandig tegenverzoek van ASW heeft werknemer formeel geen verzoek ingediend om toekenning van een billijke vergoeding. In hoger beroep kan slechts aan de orde komen de door ASW verzochte ontbinding en daartegen komt werknemer niet op, aldus ASW. Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid. Met de intrekking van zijn verzoek tot ontbinding heeft werknemer niet als vanzelfsprekend zijn nevenverzoeken ingetrokken. Deze nevenverzoeken zijn niet onverbrekelijk verbonden met de verzochte ontbinding en in het intrekkingsbericht waar ASW naar verwijst worden deze verzoeken niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgegeven. Voorts ziet ASW kennelijk over het hoofd dat werknemer in zijn verweer tegen het voorwaardelijk tegenverzoek in eerste aanleg uitdrukkelijk aanspraak heeft gemaakt op een billijke vergoeding van € 100.000 indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van ASW wordt ontbonden. Aldus is werknemer ontvankelijk in hoger beroep.
Billijke vergoeding
Met de grieven 1 tot en met 5 betoogt werknemer dat ten onrechte zijn aanspraak op een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door ASW is afgewezen. Het hof deelt evenwel het oordeel van de kantonrechter dat de verwijten, die werknemer aan het adres van andere houders van aandelen in ASW maakt, niet leiden tot het oordeel dat ASW ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dat werknemer door de meerderheidsaandeelhouders van ASW is bedonderd weegt derhalve niet mee als argument. Het hof ziet ook niet in dat ASW ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door, na het ontslag van werknemer als bestuurder, een leidinggevende boven werknemer aan te stellen. Werknemer kon in redelijkheid niet verwachten dat hij op dezelfde voet als voor dat ontslag feitelijk leiding kon blijven geven aan de onderneming. Zelfs als ook de andere klachten van werknemer juist zouden zijn (dat hij als enige geen nieuwe bureaustoel kreeg, waarvoor ASW overigens een goede verklaring geeft maar wat niettemin door werknemer als een vorm van pesterij wordt ervaren, dat er een dossier tegen hem werd opgebouwd en dat hij na zijn gedwongen overplaatsing naar een andere werkkamer last had van het rookkanaal van het naburige pand totdat dit probleem met behulp van instanties werd opgelost) is een en ander weliswaar verwijtbaar, maar naar het oordeel van het hof nog niet ernstig verwijtbaar. De grieven 1 tot en met 5 falen.